zondag 17 december 2017

J.M.A. Biesheuvel: Zwanezang (Recensie)

ZWANEZANG VAN J.M.A. BIESHEUVEL
 
Sinds de Van Oorschot-uitgave van het driedelige Verzameld werk (2008) geeft J.M.A. Biesheuvel (1939) zijn spaarzame nieuwe werk meestal bibliofiel uit bij de Avalon Pers van Jan Keijser. De pers opereert in de luwte: zelfs op de website van Drukwerk in de Marge staan de uitgaven niet aangekondigd. Meestal gaat het bij Biesheuvel om dunne boekjes maar met Zwanezang  verscheen een vrij substantiële bundel van verhalen en ‘kantlijnverhaaltjes’ die in de jaren 2013-2016 in Hollands Maandblad stonden. Volgens een mededeling van de uitgever had het kantlijngedicht ‘John P. en ik’, over Biesheuvels vriendschap met anglist John Peereboom (1924-2010), ook in het boekje gemoeten, maar ontving hij de tekst toen alles al bij de binder was. Zo kregen we een gebonden bundel en een dun supplement. Een deel van de exemplaren van Zwanezang is wegens ziekte van Biesheuvel getekend door zijn vrouw Eva aan wie het boekje is opgedragen. Biesheuvel schittert vanouds  in het verhaal ‘Sisyphus’ waarin het leven tot een kafkaëske parabel is gereduceerd. De ik-persoon moet in een onbewoonde wereld schapen binnen een afrastering brengen en krijgt eten van een onbekende die steeds weer de afrastering openzet: ‘Iemand – wie? een kennis, een vriend, mijn vader? – helpt mij en werkt mij tegelijk tegen. [...] In mijn droom zag ik de man die me eten bracht en het hek opende en dichtdeed. Het was inderdaad mijn vader!’

 
J.M.A. Biesheuvel, Zwanezang. 2016. 29 p. 150 ex. € 40 | J.M.A. Biesheuvel, John P. en ik. 2016. 3 p. 80 ex. € 7,50 (Avalon Pers, Leidse Slootweg 4, 2481 KH Woubrugge avalonpers@hetnet.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Patelduiker 22 (2016), nr. 1, p. 69.
 
 

Frans Erens: En France (Recensie)

FRANS ERENS HERUITGEGEVEN

Tachtiger Frans Erens (1857-1935) is vooral bekend om zijn postuum verschenen herinneringenboek Vervlogen jaren dat in drie totaal verschillende edities (1938, 1958 en 1989) beschikbaar is. In beeldend, warm proza keert hij terug naar zijn jeugd op een patriarchale Schaesbergse vierkantshoeve vol knechten en koetsen en zijn studiejaren in Leiden, Parijs en Amsterdam. Erens’ oordelen komen nog altijd scherp en overwogen over. Zijn bespiegelingen over de Tachtigers waarschuwen literatuurhistorici dat het heel moeilijk is een literair tijdperk te reconstrueren en stijlveranderingen te duiden: ‘Er zijn verborgen krachten geweest, die stuwden en stuurden.’ Na Pricks Privé-Domein-editie (1989) bleef Erens sporadisch een onderwerp voor marginale uitgevers en gelegenheidsuitgaafjes. Os Moddersproak, een Landgraafse stichting die zich inzet voor ‘de grensoverschrijdende volkstaal in de Euregio Maas-Rijn’, herdrukt nu Erens’ De heiligen en hun verering (1911), een beschouwing over heilig- en zaligverklaringen in de katholieke kerk. Het omslag met paus Johannes XXIII en reclameletters op glanspapier doet denken aan brochures van adventisten of Jehova’s getuigen. De tekst is vooral stilistisch interessant: hoe de jurist Erens superieur duiding geeft aan het erfgoed van zijn katholieke jeugd. Toegevoegd is een stuk over de Nederrijnse mystica Anna Catharina Emmerich, die in 2004 zalig is verklaard. Erens bezoekt haar huis: ‘Het was een koude sombere morgen in november, dat ik van Münster uit het stadje Dülmen bezocht.’ Interessanter is En France, een herdruk van reisschetsen in het voetspoor van Taine die Prick grotendeels opnam in zijn Vervlogen jaren­-editie van 1958 maar wegliet uit die van 1989. We volgen Erens naar Colmar, Poitiers, de Pyreneeën en de Tarn. Erens, die veel Franse auteurs persoonlijk kende, ziet een reis door Frankrijk als ‘een genot van hogere studie en van verfijndere emotie’. Nederland lijkt nogal plat tegenover alle ‘kalmte van het geresigneerde’ die hij ontwaart. Het is jammer dat bezorger Jean Frins, die de spelling moderniseerde, niet vertelt wanneer Erens zijn reizen maakte en waar en wanneer de reisschetsen voor het eerst zijn gepubliceerd. Maar zijn stelling dat Erens’ oeuvre vol zit met ‘parels, die wachten om herontdekt te worden’ is overtuigend bewezen. De memoires van Erens worden in publicaties over de Tachtigers vaak aangehaald, maar deze nog zo verrassend leesbare auteur verdient ook zelf wel eens een uitvoerige nieuwe studie.

 
Frans Erens, De heiligen en hun verering. 2016. 60 p. € 10 | Frans Erens, En France. De Limburgse Tachtiger in de voetsporen van Taine. 2016. 50 p. € 10 (Uitgaven van Os Moddersproak, Brikkebekker 10, 6372 DP Landgraaf fanmoddersproak@yahoo.com)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 1, pp. 68-69.

Fritzi Harmsen van Beek: Prentbriefkaarten (Recensie)

KAARTEN VAN FRITZI HARMSEN VAN BEEK
 
Tekenares en dichteres Fritzi Harmsen van Beek (1927-2009) was lange tijd vooral bekend om haar rol als ‘huisbewaarster’ van de Blaricumse villa Jagtlust die functioneerde als buitenplaats voor Amsterdamse Leidseplein-scene en Gooise jeunesse dorée. Bij haar gedwongen vertrek uit de villa in 1971 kochten vrienden een huisje in het Groningse Garnwerd waar Fritzi vrijwel tot aan haar dood bleef. Aan de jonge beeldhouwer Lucas van Blaaderen (1945), met wie ze rond 1965 korte tijd een verhouding had, stuurde Fritzi in de jaren 1977-1997 tientallen prentbriefkaarten. Deze zijn met beeld- en tekstzijde facsimile gereproduceerd in Liefste liefs van Fritzi, een verrassende uitgave van de Bloemendaalse uitgeverij Schaep 14 van Barend en Joke Linders die sinds 2014 in het autobiografische domein opereert. De teksten zijn achterin ook in klein corps gezet. Fritzi beschuldigt postbodes die haar prachtige kleurkaarten ‘in eigen zak steken, blijkbaar voor een verzameling. […] Dat pleit weer voor ze, ze beschikken blijkbaar over een soort van “smaak”.’ Het vele Engels doet nogal maf aan: ‘Verder weet ik eventjes niets, but now yes.’ De kaarten zijn zonder zelfbeklag maar vol zelfironie: ‘Ik wil wel in een gezellig gesticht misschien. Hoewel, zit ik daar al niet in.’ Ze getuigen vooral van genegenheid en onderling vertrouwen maar ook van Fritzi’s bekende passies voor knutselen en dieren. De kaarten zijn met rustige, vaste hand en, ondanks de soms chaotisch aandoende inhoud, kennelijk weldoordacht geschreven. Als zelfstandige teksten voldoen ze minder en waren ze ook nooit bedoeld: Fritzi haakt steeds in op het beeld op de keerzijde. Deze kaartencollectie is een aanvulling op het verzameld werk  In goed en kwaad (2012) maar nog meer op het Schrijversprentenboek Stoeten ritselingen (2015), waarin Fritzi met behulp van veel kleurig materiaal op het grensvlak van tekst en beeld nadrukkelijk als ‘multikunstenares’ is neergezet. Deze recente uitgaven verschuiven in ieder geval de aandacht van de afgezaagde Jagtlust-mythe naar Fritzi’s veelzijdige eigen werk waarover het laatste woord nog niet is gezegd.

 Liefste liefs van Fritzi. Prentbriefkaarten en enkele brieven van Fritzi Harmsen van Beek aan Lucas van Blaaderen. Bloemendaal: Schaep 14, 2016. 178 p. € 23,50. (Schaepmanlaan 14, 2061 LZ Bloemendaal info@schaep14.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 1, pp. 67-68.

Joeri Olesja: Verhalen (Recensie)

VERHALEN VAN JOERI OLESJA

Dankzij de bibliografie van Waegemans is onwetendheid over Nederlandse vertalingen uit het Russisch moeilijk meer te veinzen. Maar een bibliografie zegt niet alles en kan lezers onbedoeld zelfs een misleidende indruk van de receptie van een auteur geven. Neem Joeri Olesja (1899-1960) die bij Waegemans mager is vertegenwoordigd met één verhaal en een fragment uit zijn korte roman Afgunst. Olesja telt evenwel meer mee dan deze gegevens suggereren: het tijdschrift Raster (2007, nr. 117) besteedde een heel nummer aan Olesja en in De mythe van Odessa (2011) staat een omvangrijk essay met hele lappen vertalingen. Beide publicaties vielen, wellicht om goede redenen, buiten de bibliografie. In Rusland heeft Olesja een grote naam. In de jaren zestig zorgde de publicatie van zijn dagboekbladen voor een sensatie in de Sovjet-Unie. Pas later bleek dat het hier om een gekuiste uitvoering van het dagboek ging. Een uitgebreidere uitgave onder de titel Afscheidsboek (1999) bevat veel kritische bespiegelingen over de teloorgang van de oude Russische burgerlijke maatschappij die eerder waren weggelaten. Olesja bracht zijn jeugd in Odessa door en vertrok daarna, zoals zo veel literaire Odessieten, naar Moskou waar hij in de jaren twintig beroemd werd met Afgunst en het kinderboek De drie dikzakken. Uitgeverij De Wilde Tomaat van Joan Ter Maten, stilletjes timmerend aan een eigenzinnig kwaliteitsfonds,  komt nu met Verhalen: tien korte, in Nederland onbekende prozastukken uit de jaren twintig en vroege jaren dertig. Odessa speelt een hoofdrol, net als in het dagboek dat hij na de oorlog schreef. De Poolse, katholieke familie Olesja woonde op een heuvel boven de haven, met prachtig uitzicht op zee. De zuidelijke sfeer wordt in het verhaal ‘Menselijk materiaal’ achteloos opgeroepen: ‘De balkondeur staat wijd open. Het lawaai van de haven is hoorbaar. Op het balkon groeit een oleander uit een groene bak.’ Veel van deze verhalen gaan over een opgroeiende kleine gymnasiast en halve volwassene die brak met zijn omgeving en bij de opbouw van het socialisme verzeild raakte. De toon is frivool modernistisch en soms surrealistisch: geen wonder dat Olesja in het streng socialistisch-realistische klimaat van na 1930 nauwelijks proza meer kon publiceren. Deze door een stichting van de Russische oligarch Michail Prochorov gesubsidieerde bundel brengt een verstikt soort literatuur boven water die na bijna een eeuw nog verrassend fris overkomt.

 Joeri Olesja, Verhalen. Vert. Gerard van der Wardt. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 107 pp.  € 15 (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 1, pp. 66-67.

Emmanuel Waegemans: Bibliografie (Recensie)

BIBLIOGRAFIE VAN RUSSISCHE LITERATUUR IN VERTALING
 
In 1985 publiceerden Emmanuel Waegemans en Cees Willemsen hun Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling 1789-1985. Nu komt Waegemans (1951), oud-hoogleraar Russische studies in Leuven, met een vervolg over de periode 1985-2015. De opzet is veranderd: naast vertaalde boeken zijn ook vertalingen opgenomen die verschenen binnen studies, essaybundels of algemene bloemlezingen uit de wereldliteratuur. Ook alle vertalingen uit het Amsterdamse Tijdschrift voor Slavische Letterkunde zijn opgenomen. Dit bevreemdt: waarom exclusief gekozen voor dit op vakgenoten en Rusland-enthousiasten gerichte tijdschrift? Waarom ook niet De Tweede Ronde en andere literaire tijdschriften uitgeplozen of in ieder geval Russische themanummers vermeld? Een antwoord kan zijn: het had de uitgave nog dikker en onbetaalbaar gemaakt. Deze informatie moet men maar als extra zien in dit boek waarin Achmatova (24 pagina’s), Brodsky, Charms en Poesjkin (31 uitgaven) de helden van de afgelopen dertig jaar lijken. Solzjenitsyn is een duidelijke daler met maar drie vertaalde boektitels. Onder de vertalers waren in dit tijdperk de Leidse slavistes uit de Van het Reve-stal oppermachtig. Een opmerkelijke stijger in de index is Willem Weststeijn die, vooral dankzij vertalingen in Tijdschrift voor Slavische Letterkunde, even sterk is vertegenwoordigd als de gelauwerde Marja Wiebes (1936-2016). Ook Arie van der Ent is prominent aanwezig, maar niet altijd met de beste titels. De oude CPN-uitgeverij Pegasus, met Weststeijn als productiefste vertaler, gaf sinds de eeuwwisseling opvallend veel vertalingen uit. Maar ook de uitgeverijen Douane en Hoogland & Van Klaveren zitten in de lift: Russische literatuur lijkt steeds meer terrein voor kleine uitgevers. Ook over jezelf ontdek je wat. Zo komen vertaalde gedichten boven water die zonder mijn toestemming in een Vlaamse bundel zijn herdrukt. Maar ook ontsluit Waegemans een verhaal van Katajev dat ik deels vertaalde voor De mythe van Odessa (Bas Lubberhuizen, 2011) zonder te weten dat het eerder stond  in de mij onbekende bundel De assistent-regisseur: Russische verhalen (Diogenes, 1996). Zo duiken talrijke volstrekt onbekende, perifeer verschenen bundels en toneeluitgaven op, bijvoorbeeld van de Nederlandse Vereniging van Amateurtheater uit Krommenie. Het is leuk te lezen van vertalingen van Misdaad en straf die onzichtbaar buiten het literaire circuit verschenen, zoals die van Hermien Manger bij Readers’ Digest (1996). Zelfs blijkt in 2006 de stokoude vertaling van S. van Praag nog eens herdrukt in de Russische Bibliotheek (!) van een Leeuwardense firma Briljant Books. Vermoedelijk laat zo’n bibliografie zich nergens uitgeven zonder subsidie. Waegemans bracht zijn werk manmoedig onder bij zijn eigen uitgeverij Benerus die al zo’n twintig jaar boeken over Rusland uitbrengt. Het resultaat is de triomf van jarenlang ouderwets, ondankbaar kaartenbakwerk, ook al zal dat op de PC zijn uitgevoerd. De wereld van de Russische literatuur is in ons land  ineens een stuk breder geworden. Leest men Russisch, dan is het boek dubbel nuttig door de index van honderd pagina’s met de oorspronkelijke Russische titels. Iemand die een gedicht van Poesjkin wil vertalen, ziet nu meteen waar de concurrentie zit. Die blijkt vaak intimiderend groot: alleen al het gedicht ‘Winteravond’ staat twaalf keer in de index. De bibliografie is niet gelumbeckt maar ingenaaid: een blijver in de boekenkast.

Emmanuel Waegemans, Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling 1985-2015. Antwerpen: Benerus, 2016. 493 p. € 35 p. (benerus@telenet.be of pegasus@pegasusboek.nl).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 1, pp. 65-66.

zondag 10 december 2017

F.B. Hotz: Een aalmoes in Tölz (verschenen)

F.B. HOTZ: EEN AALMOES IN TÖLZ

Band van F.B. Hotz,
Een aalmoes in Tölz
(Statenhofpers, 2017)
Bij de Statenhofpers verscheen zojuist een uitgave van 'Een aalmoes in Tölz', een verhaal dat F.B. Hotz in 1977 in Tirade publiceerde, maar niet opnam in Het werk (2 dln., 1997). Deze uitgave bevat een uitvoerig nawoord dat ingaat op de achtergronden van dit verhaal. Zie verder:

F.B. Hotz, Een aalmoes in Tölz. Met een nawoord van Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2017. 53 pp. 75 exx. + 20 luxe exemplaren.

Voor meer informatie en bestelwijze, zie de website van de Statenhofpers. 

Schutbladen van F.B. Hotz, Een aalmoes
in Tölz (Statenhofpers, 2017).
De schutbladen zijn gebaseerd op een ontwerp
van Richard Riemerschmid, de architect van
het landhuis dat in het verhaal van Hotz
centraal staat.

vrijdag 1 december 2017

Over het verhaal 'Diaspora' van F.C. Terborgh

UIT DE DIASPORA VAN F.C. TERBORGH

In de verhalen en gedichten van F.C. Terborgh (1902-1981) zijn vrijwel alle helden nomaden die zich op een zwerftocht begeven die hen niet meer terugvoert naar de plaats van vertrek. De wereld wordt er in voorgesteld als één dorre diaspora, waarin de mens van een enkel moment intens kan genieten, maar waarin geen doel nagestreefd kan worden en alles in het teken staat van plotselinge ondergang. Steden en archieven kunnen razendsnel vergaan, zoals in het schitterende gedicht 'Alcará de Henares':

Haast, vreemdeling! binnen 't uur misschien
is de stad tot stof vervallen,
dan is geen hond en geen archief meer te zien,
slechts onkruid op moorse wallen.

De held van het verhaal 'Diaspora' uit de bundel De meester van de Laërtes (Amsterdam: Querido, 1954) is een Russische zakenman, Trigubov, die na enige omzwervingen zich in Australië vestigt. Wanneer hij voor zaken in Peking is, laat hij zich door een  vriend overhalen om mee te gaan naar een paasdienst in een Russisch-Orthodoxe kerk en een aansluitende ontvangst bij een Russische weduwe. De ontmoeting met de cultuur van zijn geboorteland maakt bij Trigubov smachtende nostalgische gevoelens los. Als hij weer terug bij zijn hotel komt, sterft hij.
   In Het Oog in 't Zeil van december 1985 heb ik de stelling verdedigd dat de ontvangst in het verhaal 'Diaspora' moet spelen ten huize van Kamilla Albertovna Chorvat, de weduwe van de Russische generaal D.L. Chorvat die jarenlang heerste over het door tsaristisch Rusland rond de eeuwwisseling gekoloniseerde Mantsjoerije. Deze dame woonde, zoals men in Valeri Perelesjins 'Poema bez predmeta' (Dichtwerk zonder onderwerp, Sovremennik no. 42, Toronto, 1979) kan nalezen, in het voormalige gezantschapsgebouw van Oostenrijk-Hongarije in de Chinese hoofdstad. Oostenrijk had er sinds 1917, toen het in staat van oorlog kwam met China, geen gezantschap meer. Terborgh schrijft in zijn verhaal dat de ontvangst bij de weduwe, die inderdaad 'generaalsweduwe' is, plaatsvond '[...] in de Gezantschapswijk [...] in een langgerekt paleisachtig gebouw [...]. Sedert twintig jaren was dit aan zijn oorspronkelijke doel onttrokken.' Als onze stelling juist is, zou het betekenen dat het verhaal aan het einde van de jaren dertig speelt. Deze tijd komt overeen met Terborghs eigen verblijf in Peking dat in 1939 begon.
   Inmiddels heb ik een paar foto's van dit gebouw gevonden in een boek uit de collectie van het Sinologische Instituut te Leidne: Gerd Kaminksi, Else Unterrieder, Von Österreichern und Chinesen (Wien, Europaverlag, 1980). Hierbij worden er drie gepubliceerd, met daarbij de tekst uit Terborghs verhaal die met de afbeeldingen correspondeert. Zowel het verhaal als de foto's bevatten een 'poort', 'een langgerekt paleisachtig gebouw' achter 'een terras niet veel meer dan manshoog', en een hoge hal met een trap. Wat mij betreft is de stelling over de situering van 'Diaspora' nu nog aannemelijker, maar een bewijs zit wellicht in Terborghs dagboek dat, als ik juist ben ingelicht, vijftig jaar na zijn dood opengaat. 'Haast, vreemdeling!'

| Eerder gepubliceerd in Het Oog in 't Zeil 5 (1988), nummer 3, pp. 24-25.