zondag 10 december 2017

F.B. Hotz: Een aalmoes in Tölz (verschenen)

F.B. HOTZ: EEN AALMOES IN TÖLZ

Band van F.B. Hotz,
Een aalmoes in Tölz
(Statenhofpers, 2017)
Bij de Statenhofpers verscheen zojuist een uitgave van 'Een aalmoes in Tölz', een verhaal dat F.B. Hotz in 1977 in Tirade publiceerde, maar niet opnam in Het werk (2 dln., 1997). Deze uitgave bevat een uitvoerig nawoord dat ingaat op de achtergronden van dit verhaal. Zie verder:

F.B. Hotz, Een aalmoes in Tölz. Met een nawoord van Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2017. 53 pp. 75 exx. + 20 luxe exemplaren.

Voor meer informatie en bestelwijze, zie de website van de Statenhofpers. 

Schutbladen van F.B. Hotz, Een aalmoes
in Tölz (Statenhofpers, 2017).
De schutbladen zijn gebaseerd op een ontwerp
van Richard Riemerschmid, de architect van
het landhuis dat in het verhaal van Hotz
centraal staat.

vrijdag 1 december 2017

Over het verhaal 'Diaspora' van F.C. Terborgh

UIT DE DIASPORA VAN F.C. TERBORGH

In de verhalen en gedichten van F.C. Terborgh (1902-1981) zijn vrijwel alle helden nomaden die zich op een zwerftocht begeven die hen niet meer terugvoert naar de plaats van vertrek. De wereld wordt er in voorgesteld als één dorre diaspora, waarin de mens van een enkel moment intens kan genieten, maar waarin geen doel nagestreefd kan worden en alles in het teken staat van plotselinge ondergang. Steden en archieven kunnen razendsnel vergaan, zoals in het schitterende gedicht 'Alcará de Henares':

Haast, vreemdeling! binnen 't uur misschien
is de stad tot stof vervallen,
dan is geen hond en geen archief meer te zien,
slechts onkruid op moorse wallen.

De held van het verhaal 'Diaspora' uit de bundel De meester van de Laërtes (Amsterdam: Querido, 1954) is een Russische zakenman, Trigubov, die na enige omzwervingen zich in Australië vestigt. Wanneer hij voor zaken in Peking is, laat hij zich door een  vriend overhalen om mee te gaan naar een paasdienst in een Russisch-Orthodoxe kerk en een aansluitende ontvangst bij een Russische weduwe. De ontmoeting met de cultuur van zijn geboorteland maakt bij Trigubov smachtende nostalgische gevoelens los. Als hij weer terug bij zijn hotel komt, sterft hij.
   In Het Oog in 't Zeil van december 1985 heb ik de stelling verdedigd dat de ontvangst in het verhaal 'Diaspora' moet spelen ten huize van Kamilla Albertovna Chorvat, de weduwe van de Russische generaal D.L. Chorvat die jarenlang heerste over het door tsaristisch Rusland rond de eeuwwisseling gekoloniseerde Mantsjoerije. Deze dame woonde, zoals men in Valeri Perelesjins 'Poema bez predmeta' (Dichtwerk zonder onderwerp, Sovremennik no. 42, Toronto, 1979) kan nalezen, in het voormalige gezantschapsgebouw van Oostenrijk-Hongarije in de Chinese hoofdstad. Oostenrijk had er sinds 1917, toen het in staat van oorlog kwam met China, geen gezantschap meer. Terborgh schrijft in zijn verhaal dat de ontvangst bij de weduwe, die inderdaad 'generaalsweduwe' is, plaatsvond '[...] in de Gezantschapswijk [...] in een langgerekt paleisachtig gebouw [...]. Sedert twintig jaren was dit aan zijn oorspronkelijke doel onttrokken.' Als onze stelling juist is, zou het betekenen dat het verhaal aan het einde van de jaren dertig speelt. Deze tijd komt overeen met Terborghs eigen verblijf in Peking dat in 1939 begon.
   Inmiddels heb ik een paar foto's van dit gebouw gevonden in een boek uit de collectie van het Sinologische Instituut te Leidne: Gerd Kaminksi, Else Unterrieder, Von Österreichern und Chinesen (Wien, Europaverlag, 1980). Hierbij worden er drie gepubliceerd, met daarbij de tekst uit Terborghs verhaal die met de afbeeldingen correspondeert. Zowel het verhaal als de foto's bevatten een 'poort', 'een langgerekt paleisachtig gebouw' achter 'een terras niet veel meer dan manshoog', en een hoge hal met een trap. Wat mij betreft is de stelling over de situering van 'Diaspora' nu nog aannemelijker, maar een bewijs zit wellicht in Terborghs dagboek dat, als ik juist ben ingelicht, vijftig jaar na zijn dood opengaat. 'Haast, vreemdeling!'

| Eerder gepubliceerd in Het Oog in 't Zeil 5 (1988), nummer 3, pp. 24-25.

zondag 26 november 2017

Schoon & haaks [afl. 17]


SCHOON & HAAKS [AFL. 17]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de zeventiende aflevering (2017, nr. 5) staan recensies van de volgende boeken:
  • Johannes Bobrowski, Stroom en woud. Vert. C.O. Jellema. Utrecht: Hinderickx & Winderickx, 2017.
  • C.O. Jellema, Herinnering verschoont. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2017.
  • J. van Oudshoorn, Dagboek 1934-1943. ’s-Gravenhage: Statenhofpers, 2017.
  • A. Roland Holst, A Winter by the Sea. Vert. Roger Kuin. Berkeley: Ian Jackson, 2017.
  • Jozef en Isaäc Israëls, In Spanje, met Frans Erens. Landgraaf: Os Moddersproak, 2017.
  • Frans Erens, De burgemeester. Bloemlezing van ongebundeld gebleven teksten uit De Nieuwe Gids. Landgraaf: Os Moddersproak, 2017.
  • Théophile Gautier, Mijn eigen dierentuin. Vert. Antonia Bolweg. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.

| Zie verder ‘Schoon & haaks’ [=afl. 17],  De Parelduiker 22 (2017), nr. 5, pp. 70-75.

zondag 5 november 2017

Walter Benjamin in Riga: vijf foto's

WALTER BENJAMIN IN RIGA: VIJF FOTO'S

In november 1925 verbleef Walter Benjamin in Riga (zie Jan Paul Hinrichs, Trefpunt Riga, Bas Lubberhuizen, 2017, pp. 98-112). De weerslag van dit verblijf is te vinden in zijn prozaboek Einbahnstrasse (1928). Benjamin verbleef op het adres Dzirnavu iela 53 / 17.


Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
 
Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Riga, Dzirnavu iela 53 vanuit de hoogte van Hotel Radisson Blu,
17 september 2017

Foto © Jan Paul Hinrichs



Citaten en aforismen van Lucebert (Recensie)

LUCEBERT ALS CITATENKAMPIOEN

Voor een dichter is het wel de grootste eer om anoniem invloed uit te oefenen, geciteerd te worden zonder dat sprekers weten wie ze citeren. Van Dale-hoofdredacteur Ton den Boon (1962) publiceerde in 2007 bij de Nijmeegse uitgeverij BnM Wie wil stralen die moet branden, een boekje over de invloed van Lucebert (1924-1994) op de Nederlandse taal. Onder dezelfde titel komt hij nu bij uitgeverij De Weideblik met een gewijzigde versie, wederom verlucht door tekeningen uit Luceberts archief. Het gaat om een lange inleiding over Luceberts taalgebruik, metaforiek, idioom en grammatica én een ongeveer even lange bloemlezing, alles met bronverwijzing. Zo lezen we over magische regels als ‘de oude meepse barg ligt / nimmermeer in drab’ die kennelijk terugverwijst naar fanatiek woordenboekgebruik van Lucebert: hij graasde de Van Dale af. Geen moderne dichter had zo veel invloed op het Nederlands als Lucebert, stelt Den Boon. Maar hoe weet en meet je zoiets? Den Boon komt met verwijzingen naar het werk van Kousbroek, Hofland, Campert, Elburg en Nooteboom. Maar vrienden en generatiegenoten tellen eigenlijk niet mee. Wim de Bie en Ilja Pfeijffer lijken sterkere bronnen. Beroemde regels van Lucebert zijn er genoeg maar het is de vraag of flarden uit zijn taal, buiten de aan treinreizigers bekende Rotterdamse gevelspreuk ‘alles van waarde is weerloos’, werkelijk zo veelvuldig in de omgangstaal voorkomen als Den Boon soms suggereert. Waar eindigt een incrowd die veel weet en begint een algemeen publiek waar men die invloed uiteindelijk moet zoeken? Hoeveel lezers van dit blad kennen ‘dichters van fluweel’, ‘overal zanikt bagger’ of ‘eenvouds lichte waters’? Maar dit is een aanstekelijk geschreven boekje dat bewijst dat je taalkundig en zonder biografische details boeiend over een dichter kunt schrijven. Dan blijkt ook hoe ijzersterk en rijk Luceberts poëzie is. Ten slotte iets uit de bloemlezing, misschien een waarschuwing voor op de gevel van het Letterkundig Museum: ‘Roem is een fata morgana en dichters worden alleen bewierookt in heel kleine kamertjes, die op slot zijn.’

Ton den Boon (ed.), Wie wil stralen die moet branden. Citaten en aforismen van Lucebert. Met een inleiding over de invloed van Lucebert op de Nederlandse taal. Varik: De Weideblik, 2016. 95 p. € 7,50 (Molenstraat 6-6a, 4064 EG Varik lexiton@planet.nl).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 5, pp. 66-67.

Rob Bindels: Nescio (Recensie)

NESCIO REVISITED
 
Het gebeurt te weinig: in niet meer dan honderd bladzijden, zonder al te veel polemiek of zendingsdrang en zonder foto’s die de lezer afleiden, met verstand van zaken uit de doeken doen wat een klassiek auteur nog kan betekenen. Het is een uitdaging om een vooral niet oubollig boekje te schrijven, waarin het essentiële over iemands leven en werk in een hedendaags daglicht staat en genoeg essayistische inslag overblijft dat het ook iemand boeit die alles al denkt te weten. Zoiets moet veteraan uit het redactiewezen Rob Bindels (1946) voor ogen hebben gehad in Nescio. De man die iets miste. Deze uitgave van Huis Clos is een uitgebreide en geactualiseerde versie van een kleurenbijlage van Vrij Nederland uit 1982. Het lijkt er een beetje op dat Bindels, van wie me geen boekpublicaties over andere onderwerpen bekend zijn, één boek levenslang herschrijft, want eerder publiceerde hij deeltjes over Nescio (1882-1961) in de reeksen Ontmoetingen (1974) en Grote Ontmoetingen (1978) van de Brugse uitgeverij Orion-Desclée De Brouwer en in de Synthese-reeks (1982) van De Arbeiderspers. Ten onrechte is Bindels bang ‘disproportioneel opnieuw aandacht te vragen voor een notoire nationale weinigschrijver’. Het onderwerp veranderde immers zelf: in 1982 wisten we weinig van Nescio’s nagelaten werk, waaronder het Natuurdagboek, dat in deze nieuwe uitgave uitvoerig aan bod komt. Bindels verbindt natuurbeleving met Nescio’s proza waarin ‘de beschrijving van de ruimte nauwelijks nog middel, maar al haast doel op zichzelf’ is. Hij concentreert zich op de duistere kant van Nescio, die schiep ‘uit niet te kunnen wat ik wil, uit niet te willen wat ik kon, uit te verlangen naar wat ik niet heb en naar wat ik niet ben.’ Zo ontstaat het beeld van een cynische moderne antischrijver, puttend uit ‘gruwzame melancholie en mijn ijzige eenzaamheid’ die zijn onkerkelijke God in de natuur vindt. Van de herinnering aan een enigszins grappige bohemien, die uit oude schoollectuur misschien was blijven hangen, blijft in ieder geval niets over. Het was wat mij betreft niet nodig stukken tekst met een verticale stippellijn in de kantlijn als ‘Intermezzo’s’ te markeren: dat haalt alleen maar spanning uit een betoog. Het slothoofdstuk over receptie had iets minder opsommerig gekund, maar dit blijft een boekje dat aan zijn doel beantwoordt:  de lezer deskundig en met herboren nieuwsgierigheid de weg terugwijzen naar Nescio. Zo verging het mij zelf: het nagelaten fragment ‘De profundis’ (waaruit boven is geciteerd) las ik meteen. Kernachtig concludeert Bindels: ‘Grönloh heeft geleefd als de meeste mensen, allerminst spectaculair; van de literaire wereld wilde hij niets weten en van schrijverij sprak hij niet omdat men anders op kantoor zou denken dat hij niet geschikt was voor zijn werk. De hoogtepunten van zijn leven, de gedachten, gevoelens, dromen, wensen, staan te boek.’ Ten slotte dit: uitgeverij Suhrkamp heeft Nescio nu een fraai Europees podium bezorgd door hem onder de ideaal kale titel Werke in 2016 op te nemen in de Bibliothek Suhrkamp. Maar zonder een nawoord van Nooteboom – van wie me een affiniteit met het onderwerp niet bekend was – ging het blijkbaar niet.

 Rob Bindels, Nescio. De man die iets miste. Rimburg: Huis Clos, 2016. 79 p. 750 ex. € 15,00 (Gerard Terborghstraat 16 hs 1071 TM Amsterdam info@uitgeverijhuisclos.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), pp. 65-66.

Briefwisseling C.O. Jellema - Jan Siebelink (Recensie)

C.O. JELLEMA EN JAN SIEBELINK IN GESPREK

In het voetspoor van Selbstfindung (2014) en Mijn beste lezer (2015) bezorgt Gerben Wynia in Uit diepe verwantschap een nieuwe uitgave van brieven van C.O. ‘Cor’ Jellema (1936-2003). Het gaat om de briefwisseling met Jan Siebelink (1938) uit de jaren 1986-1998.  Aan de ene kant zien we de weifelende dichter Jellema, die, vol doodsgedachten en wroeging dat het ware leven hem ontglipt, vroeg zijn Groningse universitaire baan opgeeft en zich op een landhuis met rozentuin in Leens terugtrekt. Hij gelooft ‘heel fundamenteel, nooit het gevoel [te] hebben, het uitrustende gevoel te behoren tot de wereld der geslaagden, daarin mee te tellen, ook al doorzie je die wereld als op drijfzand gebouwd’.  Ook van de uitgave van zijn verzamelde gedichten bij Querido (1992) geniet hij niet optimaal: ‘of dat nou verstandig is, zo’n balansopruiming -  zou dit het einde zijn?’ Daar tegenover staat de sportief besnorde, vlot in spijkerbroek gestoken leraar Frans en verbluffend productieve romanschrijver Siebelink, met zijn vrouw, kinderen en geslaagde gezinsvakanties in Frankrijk: ‘Probeer hier school en literatuur te vergeten. Wat aardig lukt. In dit door hitte en kruidige geuren vertragend bestaan.’ Ook deinst Siebelink er niet voor terug in de dubbeldekker van een Zundertse bordeelhouder mee te rijden in de karavaan van de Tour de France. Van eigen succes kan hij onbeschaamd genieten: hij is van een AKO-prijs nog tijden ‘in lichte euforie’. Jellema kan weinig met Siebelinks boek met wielrennerportretten Pijn is genot (1992), ‘zoals voetbal- en schaatswedstrijden mij absoluut niets zeggen, laat staan dat ik enig sportchauvinisme zou kennen.’ Het boekje geeft aardige inkijkjes in de wereld van twee auteurs die ver van de grachtengordel staan. Trouwens, Amsterdam ís ook heel ver voor Cor: ‘7 uur, onderweg!’ Zo weten we nu dat Siebelink (gedebuteerd in 1975) nog correspondeerde met Bordewijk (gestorven in 1965). In 1988 is hij zeer geïmponeerd door een gesprek met de weduwe Achterberg: ‘dat zou ik vroeger niet voor mogelijk gehouden hebben’. Jellema en Siebelink, die elkaar kenden van een luidruchtige literaire avond bij het Groningse studentencorps waarop Cor te dronken bleek om nog een woord te zeggen, blijven hoffelijk en hartelijk tegenover elkaar. Het is niet duidelijk waarom het contact afbrak in 1998: ‘door een misverstand’ vermoedt Siebelink nu. Wel zegde Jellema al jaren, soms niet helemaal overtuigend, af voor boekpresentaties van Siebelink: ‘helaas elders verplicht’. Maar hun verwantschap was al gedocumenteerd: Siebelink droeg zijn roman De overkant van de rivier (1990) aan Jellema op. Verder: Siebelink had omgang met James Purdy, bezocht hem in New York en publiceerde veel over hem. Dit is een aanvulling op het artikel in De Parelduiker (2016/3): de exclusieve rol die deze Amerikaan in Nederland speelde, blijkt nu weer groter dan gedacht en beperkte zich niet tot in homoseksuele zaken geïnteresseerde private pressers. De uitstekende, uitvoerige annotatie voegt veel toe aan dit boekje. Wel vraagt Wynia zich af wie een zekere Emiel H. kan zijn die Siebelink in 1996 in een Amsterdams café  ontmoette. Zal dat niet publicist en kroegtijger Emile Henssen zijn geweest (1950-1999), bij zijn dood redacteur van dit blad?

 C.O. Jellema & Jan Siebelink, Uit diepe verwantschap. Een briefwisseling. Nijmegen: Flanor, 2016. 95 p. € 19,50 (Beijensstraat 30, 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@gmail.com)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 5, pp. 63-64.