dinsdag 1 mei 2012

Ivan Boenin: Verzamelde werken III (Recensie)

EEN GEBED OM VERLOST TE WORDEN VAN DE HERINNERING

Eigenlijk heeft Ivan Boenin (1870-1953) er zelf ook een beetje de hand in gehad dat een complete vertaling van zijn belangrijkste prozawerk, de roman Het leven van Arsenjev, zo lang op zich heeft laten wachten. Nadat hij in 1933 als eerste Rus de Nobelprijs had gekregen, verscheen van Het leven van Arsenjev ook een Nederlandse vertaling. Het ging toen om de eerste vier delen van deze roman die in 1930 in Parijs in boekvorm waren uitgekomen. In 1939 verscheen in Brussel het lange verhaal Lika. Boenin kon Lika, een vervolg op Het leven van Arsenjev, pas in 1952 als vijfde deel opnemen in de definitieve Russische uitgave die voor de afwisseling in New York uitkwam. Alle vertalingen van de roman werden zo in één klap incompleet en konden niet meer herdrukt worden. Vooralsnog zagen westerse uitgevers geen brood in nieuwe vertalingen. Zo verscheen een complete Engelstalige uitgave pas in 1994 (bij Northwestern University Press), waarbij men voor de eerste vier delen zelfs nog de oude vertaling van 1933 van stal haalde. Gelukkig is de eerste complete – en uitstekend leesbare – Nederlandse vertaling van Het leven van Arsenjev wel helemaal nieuw. Het is meteen duidelijk dat we te maken hebben met een overrompelend meesterwerk waarvan men zich nu al haast niet meer kan voorstellen dat generaties van lezers het zonder hebben moeten stellen.
     Het leven van Arsenjev is een pseudoautobiografische roman. De verteller, Aleksej Arsenjev, woont in Frankrijk en kijkt terug op zijn jeugd in Rusland. Hij lijkt in veel op Boenin, die zelf in 1920 naar Frankrijk vluchtte waar hij tot aan zijn dood zou blijven. Arsenjev schildert ons zijn leven op de landgoederen en in de stadjes van Centraal-Rusland  tegen de achtergrond van het verval van zijn ooit aanzienlijke familie. We horen over zijn eerste schreden in de literatuur, zijn werk op een provinciale tijdschriftredactie en de liefde voor Lika, die hem tenslotte afwijst. Het is een ‘portrait of the artist as a young man’: een intelligente, overgevoelige jongen die zoekt naar een middel zijn roeping te volgen, snakkend naar ‘bevrijding van een onbestemde drang’.
     Veel herinneringen zijn gegroepeerd rond sterfgevallen die de jonge Arsenjev aangrepen: van een herdersjongen op het landgoed van zijn ouders, van zijn zuster, van een grootvorst wiens kist in een trein voorbijkomt. De dood heeft een onmiskenbare variant: het vertrek. Arsenjev wil steeds weg van het landgoed van zijn ouders, en van de stadjes waarin hij zich ophield. Het belangrijkste vertrek, dat uit Rusland, blijft ongenoemd. Echt thuis is Arsenjev uiteindelijk nergens. Er is veel voor te zeggen dat ook zijn rusteloze alter ego Boenin al in Rusland een emigrant was, dus nog voordat hij naar Frankrijk uitweek. Een echt huis heeft hij er nooit bezeten.
     Het leven van Arsenjev heeft eigenlijk geen plot: niet gebeurtenissen zijn belangrijk maar stemmingen en sfeer. De vertelling wordt gedragen door het karakter van de jonge Arsenjev. Soms lijkt de verteller onder de last van het verleden te bezwijken: ‘Herinneringen, een zo drukkend, verschrikkelijk iets dat er zelfs een speciaal gebed bestaat om ervan verlost te worden.’ De vrouwen in het boek maken, als in zoveel boeken over de Russische landadel, een standvastigere indruk dan de mannen. Arsenjevs vader is nog een ouderwets ‘overtollig’ mens: hij jaagt en drinkt en wordt steeds armer. Het is dan ook de tragiek van de jonge Arsenjev dat een van de punten waarop zijn verhouding met Lika stukloopt economisch van aard is: haar vader gelooft niet in zo’n schrijver zonder bezittingen.
     Boenin – en dat is een verrassing – kan in zijn sarcasme Gogoliaans geestig zijn, bijvoorbeeld in zijn beschrijving van Arsenjevs morsige mederedacteuren of van de leden van een provinciaal toneelgezelschap. Er schuilt een voyeur in Boenin, bijvoorbeeld als hij Arsenjev een mislukt schrijver in het vizier laat nemen waarna hij dan ‘al zijn bewegingen begerig volgde, me verlustigend in mijn scherpe schrijversblik.’
     In feite wijzigt dit boek het beeld van de Russische literatuur van deze eeuw zoals dat in vertaling bestaat. Het Russische proza uit de Sovjettijd is vrijwel steeds expliciet verbonden geweest met het communistische totalitarisme. Over de oude tijd werd nauwelijks meer op niveau geschreven. Het bijzondere van dit boek is dat het weliswaar een voortzetting is van de landgoederenliteratuur van Tolstoj en Toergenjev maar dat het wel een geheel nieuw uitgangspunt heeft. Toergenjev schreef over een land dat hij vrijwillig had verlaten maar waarheen hij steeds terugging en brieven naar kon sturen. Boenins Rusland was een land dat hij voor altijd verloren had en dat eigenlijk niet meer bestond. Ondanks de overweldigend nostalgische toon van het boek doet men Boenin onrecht wanneer men alleen op zijn blik naar het verleden let. Boenin is een schrijver van de twintigste eeuw: gedwongen emigratie wordt niet genoemd maar vormt wel degelijk de grondslag van dit boek. De enorme afstand in ruimte en tijd tot het verleden en de soms vaag, dan weer expliciet aangeduide Zuid-Franse omgeving waarin Boenin opereerde, geven dit boek een breedte die de landgoederenwereld ontstijgt. Ook het moderne thema van de vervreemding duikt steeds op. De verteller noemt het leven in het oude Rusland ‘een afgescheiden, zelfs voor mij vreemd bestaan’ en gelooft eigenlijk niet dat hij nog de persoon is die hij zich herinnert.
     Verbluffend scherp zijn de overwegingen van Arsenjev over de morsigheid en achterlijkheid van de Russische provincie en over het onbeholpen amateurisme van Russische revolutionairen zoals hij die, evenals Boenin zelf, leerde kennen in de kringen van zijn broer. Tegelijkertijd houdt hij zich verre van monarchistisch sentiment. Als Arsenjev in het heden, dus eind jaren twintig, naar de begrafenis afreist van een in Zuid-Frankrijk gestorven grootvorst heeft zijn ontroering een esthetisch, geen politiek karakter. Arsenjev en Boenin blijven uiteindelijk ook tamelijk gereserveerd staan tegenover Rusland. Achteraf gezien lijkt Boenin in zijn Franse isolement ook veel meer van Rusland te hebben begrepen en geweten dan vrijwel al zijn tijdgenoten en de latere dissidenten die een compromis met het communisme aangingen of er juist tegen tekeergingen. Dat Boenin een felle anticommunist was, is duidelijk, maar uiteindelijk leek hij toch ook de Russische bevolking voor het eigen ongeluk verantwoordelijk te houden, zoals hij ook zichzelf, doorschemerend in Arsenjevs herinneringen, niet spaarde.
     Je kunt wat aan te merken hebben op deze roman: soms nemen de sentimenten wat te veel de overhand en herhaalt Boenin zich te vaak. Maar Boenins stijl is uiteindelijk zo dwingend en meeslepend dat men het boek in één ruk uitleest. In een nauwelijks opvallende zin weet hij een heel land te schetsen, met al zijn krakkemikkigheid, feodale verhoudingen, genadebroodeters en slaperigheid: ‘Het plafond in onze keuken was plotseling ingestort en had bijna onze stokoude vroegere kok gedood, die daar altijd op de kachel lag; en dus reden we naar een bosje om draagbalken te halen.’
     Moeilijker verteerbaar, maar kwalitatief niet veel minder, is het korte proza uit de jaren 1937-1952. De thematiek – het kortstondige en onberedeneerbare van de liefde - is op den duur tamelijk voorspelbaar. Niettemin toont Boenin zich hier een echt prozaïst en gaat hij veel spaarzamer met zijn middelen om dan in zijn roman, die een hoog poëtisch gehalte heeft. De meeste van deze verhalen zijn geschreven in Grasse in de Tweede Wereldoorlog, tijdens het Vichy-bewind en de Duitse bezetting van de Alpes Maritimes. Terwijl Europa één groot slagveld was en in Sovjet-Rusland het literaire leven totaal was gestagneerd, zat de bejaarde Boenin soms met een lage maag in prerevolutionaire tijden gesitueerde liefdesverhalen te schrijven. Hij legde daarbij een opvallende openhartigheid voor seksuele details aan de dag, zodat deze verhalen menig taboe doorbreken. Eens te meer blijkt ‘de laatste Russische klassieke schrijver’ moderner te zijn geweest dan men altijd heeft vermoed.

Rec. van I.A. Boenin, Verzamelde werken, dl. III. Het leven van Arsenjev. Verhalen 1937-1952 (vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes), Uitg. G.A. van Oorschot, 1997.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 28 februari 1998, p. 65.