zondag 18 november 2012

De bibliotheek van Nicolaas van Wijk

LEGAAT VAN WIJK REVISITED



Nicolaas van Wijk en Derk Jan Kruijtbosch (1883-1954)
en diens gezin, Zierikzee, zomer 1922.

Foto © Collectie Jan Paul Hinrichs
In de Leidse Universiteitsbibliotheek bevindt zich het archief van Nicolaas van Wijk (1880-1941), de eerste Leidse hoogleraar in de Balto-Slavische talen. Generaties slavisten hebben met teleurstelling kunnen constateren dat er zich bitter weinig correspondentie bevindt in dit archief. We leren uit Van Wijks aantekeningenschriften en fichiers (UBL BPL 3163 t/m 3172) weinig over het enorme netwerk aan contacten dat hij in Oost-Europa had opgebouwd. De vraag is: zouden Van Wijks nagelaten boeken hier nog enig licht op kunnen laten schijnen?
     De boekerij van Nicolaas van Wijk is een van de grootste legaten die de Universiteitsbibliotheek Leiden ooit ontving. Verslagen uit 1941 spreken van ongeveer zevenduizend boekdelen. Er zaten veel meerdelige werken bij, zodat het aantal titels fors lager ligt. Boeken op het gebied van de slavistiek werden na catalogisering voorzien van signatuur ‘SL.’ In het magazijn staan deze negentig meter boeken in dertien kasten bij elkaar onder de signaturen SL. 1 t/m 2842 en 3135 t/m 3137 (SL. 2843 t/m 3134 betreffen boeken uit het Legaat Mr. A.J.A. van Son uit 1945 die bij Van Wijks boeken zijn geplaatst). Voor 1941 had de UB vrijwel niets op het gebied van de slavistiek. Nu bezat zij ineens een hoogwaardige en zeer actuele collectie, die na de oorlog grootschalig kon worden uitgebreid.
     Via de U-CAT, de Leidse bibliotheekcatalogus, zijn de met signatuur SL. voorziene titels terug te vinden en aan te vragen. Een compleet overzicht van het legaat krijgt men zo niet. Op de Slavische studiezaal staat namelijk een groot aantal boeken uit Van Wijks bezit die zijn voorzien van een studiezaalsignatuur. Men ontdekt ze door in oudere banden op zoek te gaan naar het ex libris ‘Legaat Prof.Dr. N. van Wijk 1941’. Daarnaast is een aantal Slavische titels verspreid in het magazijn terechtgekomen. Zo vindt men een Tsjechische vertaling van Herman de Mans Het wassende water onder het signatuur SL., maar heeft een Tsjechische vertaling van Frederik van Eedens Johannes Viator een ‘gewoon’ magazijnsignatuur.
     Boeken uit het legaat die met slavistiek niets te maken hebben, zijn ook verspreid in het magazijn geplaatst. Zoeken daarnaar lijkt onbegonnen werk, maar een leidraad biedt  nieuwe boeken en varia: catalogus van nieuwe aanwinsten en opnieuw gecatalogiseerd oud bezit, aangevangen door Pieter Anton Tiele: loodzware boekwerken waarin van 1868 tot 1966 in volgorde van catalogisering alle titelbeschrijvingen zijn geplakt die waren opgenomen in de oude gedrukte catalogus, de zogenaamde Leidse boekjes. Zo vertelt het steeds van data voorziene plakwerk uit de oorlogsjaren dat de eerste titels uit het legaat Van Wijk al op 5 augustus 1941, enkele maanden na Van Wijk dood, zijn gecatalogiseerd. Dat het hier om boeken van Van Wijk gaat, blijkt niet uit de titelbeschrijvingen, maar uit zoekacties die men aan de hand daarvan kan ondernemen: bijvoorbeeld door plaktitels over Indo-Europese taalwetenschap aan te vragen waarvan men kan vermoeden dat Van Wijk ze bezat. Dankzij de plaktitels zijn gemakkelijk enige tientallen niet-Slavische titels met het ex libris van legaat Van Wijk te achterhalen. Alles bij elkaar heb ik op diverse plaatsen ook ca. 170 boeken met auteursopdrachten aan Van Wijk aangetroffen. Achteraf kan men wel betreuren dat het legaat indertijd niet bij elkaar is gehouden. Maar in 1941 had men wel wat anders aan het hoofd dan te denken aan de belangen van een toekomstig biograaf.
     Een bijzonder geval is SL. 3136. Onder deze signatuur vindt men veertien portefeuilles met allerlei materiaal over de Slavische wereld dat niet apart is gecatalogiseerd. Het gaat daarbij om krantenknipsels, losse tijdschriftnummers en allerlei brochures, folders en studieprogramma’s die Van Wijk kennelijk vooral van buitenlandse reizen had meegenomen. Deze stukken zijn op land geordend (Tsjecho-Slowakije, Bulgarije, enz.). In enkele ‘algemene’ portefeuilles zijn om onduidelijke redenen ook stukken geplaatst die vlak na de oorlog op de UB ontvangen zijn en waarmee men kennelijk geen raad wist. Zo bevindt zich tussen Van Wijk spullen ook een brochure over de Argentijnse economie uit 1947.
     In de buurt van deze portefeuilles trof ik in het gesloten magazijn twee schriften aan die afkomstig zijn van Wils Huisman (1914-1979), een oud-studente van Van Wijk die na de oorlog de eerste vakreferent voor slavistiek aan de UB was. Op deze schriften, die geen stempels of barcodes bevatten en vermoedelijk nooit onder de ogen van een lener zijn gekomen, staat het signatuur SL. 3136 geschreven. Dat is misleidend, want de schriften bevatten de alfabetische lijst van overdrukken uit het bezit van Van Wijk die in de Leidse overdrukkencollectie zijn opgenomen. De titels van deze overdrukken vindt men in de zelden geraadpleegde ‘groene’ boekjes van de overdrukkencatalogus, een van de laatste restanten van de Leidse boekjes die te raadplegen is in de Noordhal van de UB. Daar is de herkomst niet uit de beschrijving op te maken. Maar via de schriften kan men dus wel te weten komen welke overdrukken uit Van Wijks bezit stammen.
     De schriften blijken geen complete beschrijving van Van Wijks overdrukken te bevatten. Zo zijn geen overdrukken van Nikolaj Trubeckoj vermeld, de befaamde Russische taalkundige uit Wenen die met Van Wijk correspondeerde. Er staan echter wel Trubeckoj-overdrukken in de boekjes van de overdrukkencatalogus. Bij aanvraag krijgt men dan overdrukken met opdrachten van Trubeckoj aan Van Wijk. Andermaal valt dan te betreuren dat in 1914 niet alle overdrukken bij elkaar zijn geplaatst, zoals dat in het UB-magazijn wel is gebeurd met materiaal van twee bekende personen uit Van Wijks biografie, de neerlandicus J. verdam en de KB-bibliothecaris W.G.C. Bijvanck.
    De overdrukkencatalogus bevat ook meer dan honderd titels van artikelen van Van Wijk zelf. Op deze manier konden heel gemakkelijk twee perifeer verschenen artikelen van Van Wijk worden achterhaald die in de bibliografieën van zijn werk uit 1942 en 1988 ontbreken. Niemand zou op het idee komen naar Van Wijks artikelen te zoeken in jaargangen van het classiciblad Hermeneus of in Asiakirjoja yliopistoasioissa, een mededelingenblad van de universiteit van Helsinki, maar onze overdrukkencatalogus bood de titels op een verborgen plekje al decennia aan. De Leidse boekjes en de plakboeken die de titels daaruit bevatten, kunnen dus ook in ons digitale tijdperk heel nuttig zijn.
     Het Legaat Van Wijk bleek uiteindelijk veel groter en gevarieerder te zijn dan ik lange tijd gedacht had. Voor het gemak van de lener zijn de in geen enkele catalogus vermelde schriften van Wils Huisman onlangs overgeplaatst naar de handschriftencollectie van Van Wijk waar ze onder signatuur BPL 3172 nu voor iedereen zijn in te zien. Juist omdat Van Wijk zelf maar weinig correspondentie heeft nagelaten, zijn deze schriften belangrijk voor een onderzoek naar zijn netwerk in Oost-Europa en de wereld van de slavistiek. Uiteindelijk kunnen de overdrukken én de opdrachtexemplaren uit zijn bibliotheek weer leiden naar brieven van Van Wijk die in buitenlandse bibliotheken worden bewaard. En daar kan het onderzoekers eigenlijk om te doen zijn.

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Omslag. Bulletin van de Universiteitsbibliotheek en het Scaliger Instituut 3 (2005), No. 3, pp. 10-11.
_________________________________________
| Klik op het label hieronder voor een overzicht van meer berichten over Nicolaas van Wijk op deze blog.
        

Ivan Elagin: Gedicht (Vertaling)


IVAN ELAGIN

*
 
Aan de muur aan de overzijde hangen
in zware lijsten mijn buren onder glas.
Daar een peinzende vrouw met een doek om.
Daar een student achter zijn bureau.
Verderop twee verveelde meisjes,
hun gezicht zinloos tegen het glas aan.
En over een jaar zal ik mijn stenen album
op deze zelfde bladzijde openslaan.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Ivan Elagin & Nikolaj Morsjen, Tussen twee spiegels, vertaling Jan Paul Hinrichs (Maastricht: Gerards, 1985), p. 12.

Zie verder over Ivan Elagin: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 169-178.

Nikolaj Morsjen: Gedicht (1) (Vertaling)

NIKOLAJ MORSJEN

DEINING

Ik zie waar de zee de schuimbarende band
met de vrouw vandaan heeft,

hoe kolkende golven heldere feeën
en donkere nimfen voortbrengen

en uit de kruising van golven en stralen
de kleuren van vrouwenogen worden geboren:

waar achter turkoois van een Perzische prinses
kobalt is en goud van Keltische Isoldes,

woede met vitriool van Tyrrheense sirenes,
groen van Parijse lichte Madeleines,

lapis lazuli van Phoenicische godinnen,
Pruisisch blauw van stormachtige Brunhildes,
 
van Poolse Marina’s, Russische Marina’s
aquamarijn, ultramarijn… 

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Ivan Elagin & Nikolaj Morsjen, Tussen twee spiegels, vertaling Jan Paul Hinrichs (Maastricht: Gerards, 1985), p. 37.

Zie verder over Nikolaj Morsjen: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 159-177.

Zie het bericht van 13 september 2013 voor een ander gedicht van Nikolaj Morsjen in vertaling.

Valeri Perelesjin: Gedicht (Vertaling)

VALERI PERELESJIN

PEKING

In mijn rijtuig vlieg ik
vier ‘chi’s’ boven land,
niet in brokaat gewikkeld
maar in kleding van zijde.

Weer ligt de Nanch’ih-tza voor mij:
is dat een straat of een bos?
Al die olmen boven mijn hoofd
vergroeiden tot een dak van duister!

Nacht, lente. Warmte van de aarde.
Deze straat is ‘zhu ru fa’:
de dichterlijke strofe
wordt tot het eind gezongen.

Denk niet aan het zijden gewaad,
jij, terugkerende vanuit de verte:
herinner je - je hebt maar één paar vleugels
voor ontelbare eeuwen.

En houd het rijtuig van de droom
nu tegen, nachtelijke pelgrim:
daar komt licht uit het venster
dat eens het jouwe was.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Valeri Perelesjin, Vanuit de verte, vertaling Jan Paul Hinrichs (Leiden: De Lantaarn, 19963), p. 18.

Zie verder over Valeri Perelesjin: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 147-158.

vrijdag 16 november 2012

Georgi Ivanov: Gedicht (Vertaling)

GEORGI IVANOV

*

In het jaar negentien en dertien, nog zonder begrip
van wat ging gebeuren en ons wachtte,
hieven wij de champagnebekers,
vierden wij vrolijk Nieuwjaar.

Wat werden wij oud! Jaren gaan voorbij,
jaren gaan voorbij, we merken ze niet…
Maar die lucht van dood en vrijheid
en de rozen, de wijn en kou van die winter
heeft, o dat weet ik zeker, niemand vergeten.

Zo moeten dwars door het loodgrijs duister heen
ogen van gestorvenen kijken,
naar een wereld die voor altijd verloren is.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj,Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 21.

Zie verder over Georgi Ivanov: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 77-87.
 

Anatoli Steiger: Gedicht (Vertaling)

ANATOLI STEIGER

*

Iedereen kent dat bij het afscheid:
het lange zware zwijgen.
Iets is er nog niet gezegd…
een belofte? Hoeveel beloften
men mij deed… Hoeveel deed ik er.

O, vergeefs spaart het hart heimelijk,
koestert jaloers
dat meest kwellende bij iedereen: ervaring…
Alleen die misleidt ons niet.

Het belangrijkste is: jezelf niet bedriegen.
Alleen geloven in die dag en dat uur.
Elke keer als was het voor altijd afscheid nemen,
als was het voor altijd afscheid nemen elke keer…

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 39.

Zie verder over Anatoli Steiger: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 139-145.

Boris Poplavski: Gedicht (Vertaling)

BORIS POPLAVSKI

*

Het middernachtelijke hemellichaam
verlichtte het firmament,
en de ziel was van het dagelijks leven
reeds alles vergeten.

In de verte geen geblaf,
wonderbaarlijk helder is de straat,
en zo wandelend zou ik eeuwig leven,
als er eeuwig nacht bestond.

Voort langs de rails vanuit de onvrijheid,
hun ijzeren glinstering volgend,
ga ik het lege veld op,
vind tenslotte Jou.

De blauwe nachtelijke hemel
is van een archaïsche eenvoud;
mijn dode zieke hart
geef ik Jou voor altijd terug.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, BorisPoplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 35.

Zie verder over Boris Poplavski: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 129-137.

Dovid Knut: Gedicht (Vertaling)

DOVID KNUT

EEN BEGRAFENIS TE KISJINJOV

Ik herinner me een doffe avond in Kisjinjov:
We liepen voorbij de heuvel van Inzov,
waar eens Poesjkin woonde. Een armzalige heuvel,
waar een kleine ambtenaar met kroeshaar woonde
- een gevierd feestneus en een losbol -,
met warme negerogen
in een lelijk maar levendig gezicht.
Over de stoffige, sombere doodse Aziëstraat
werd voorbij de stugge muren van het kraamhuis
op wat stokken een dode Jood gedragen.
Onder de muffige lijkendoek
waren de benige trekken te zien
van een mand die door het leven was aangevreten.
Zichtbaar zozeer aangevreten
dat de magere wormen van het Joodse kerkhof
er geen enkel profijt van zouden hebben.

Achter de oude mannen die de baar droegen
liepen wat joden met grote ogen.
Uit hun beschimmelde lange jassen
kwam de geur van heiligheid en noodlot,
joodse reuk van armoe en zweet,
van haring, mot, gebakken uien,
heilige boeken, luiers, de synagoge.

Een groot verdriet vrolijkte hun ziel op,
en zij liepen in een geruisloze gang,
gehoorzaam, licht, afgemeten en zonder haast,
alsof zij het lijk al jaren volgden,
alsof hun mars geen begin had,
geen eind… Met een gang
van wijze mannen uit Sion – uit Kisjinjov.
Achter de droeve vracht liep een vrouw
voor hen uit, in de stoffige schemering
konden we haar gezicht niet zien.

Maar hoe mooi was haar hoge stem!

Onder het getik van stappen, onder het zwarte geruis
en vallende bladeren, van vuilnis, onder gehoest
vloeide een niet eerder gehoord lied.
Tranen waren erin van zoete berusting,
en toewijding aan de eeuwige wil van God,
de extase over onderwerping en vrees…

O, hoe mooi was haar hoge stem!

Niet over de magere Jood, omhoog gezwiept
op de baar, zong zij, maar over mij,
over ons, over allen, over ijdelheid, over as,
over ouderdom, ellende, angst,
over medelijden, vergankelijkheid, twijfel,
en de ogen van stervende kinderen…

De Jodin liep bijna zonder de struikelen,
en elke keer dat een wrede steen
het lijk op de baar omhoog gooide, wierp
zij zich met een schreeuw op het lijk en de stem
werd plotseling wijder, zwol aan, klonk als metaal,
slaakte plechtig een dreigement aan God,
vrolijkte op in woedende vervloekingen.

En met haar vuisten dreigde de vrouw
Hem die in de groenige hemel voer,
boven de stoffige bomen, boven het lijk,
boven het dak van het kraamhuis,
boven de harde ruwe aarde.
Maar plotseling schrok de vrouw
en sloeg zich op de borst, verstijfde
en had hysterisch en meeslepend berouw,
verschrikt prees zij Gods wil,
schreeuwde buiten zinnen om vergeving,
over geloof, over deemoed, over geloof,
deinsde terug en kromp op de grond ineen,
onder het gewicht van ondraaglijke ogen,
die vanuit de hemel droevig en streng neerkeken.

Wat was daar? Avond, stilte, een hek, een ster,
veel stof… Mijn verzen in ‘De koerier’,
het goedgelovige gymnasiummeisje Olja,
het simpele ritueel van een Joodse begrafenis
en een vrouw uit het boek Genesis.

Maar nooit zal ik met woorden kunnen weergeven
wat er boven de Aziëstraat zweefde,
boven de lantaarns van buitenwijken,
boven het gelach, verborgen in poorten,
boven de vermetelheid van een onbekende gitaar,
die ergens klinkt, boven het geblaf
van treurende zwerfhonden.

 … De bijzondere Joods-Russische lucht…
gezegend is hij die daar ooit ademde…

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs


| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 30-32.

Zie verder over Dovid Knut: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 105-115.
 

 

Vladislav Chodasevitsj: Gedicht (Vertaling)

VLADISLAV CHODASEVITSJ

OP DE DOOD VAN DE KATER MURR

In vermaak was hij zo wijs en in wijsheid zo vermakelijk,
mijn troostende vriend en inspirator!
Nu is hij in die tuinen achter de vlammende rivier,
waar Catullus met een mus is en Derzjavin met een zwaluw.

O, goed zijn de tuinen achter de vlammende rivier,
waar geen laag gepeupel is, waar in gezegende luiheid
de geliefde schaduwen van dichters en dieren
de verdiende rust der eeuwigheid smaken!

Wanneer ik daarheen ga? Versnellen wil ik
mijn termijn niet, bepaald voor ontberingen op aarde,
maar naar hen die zijn opgevist door het geheimzinnige net,
vlieg ik steeds vaker in een toegewijde droom.

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 19.

Zie verder over Vladislav Chodasevitsj: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 39-49.
 

 

 

Ivan Boenin: Gedicht (Vertaling)


IVAN BOENIN

*

Een vogel heeft een nest, een beest een hol.
    Hoe bitter was het voor mijn jeugdig hart
het vaderlijk hof te verlaten,
    vaarwel te zeggen aan mijn geboortehuis!

Een beest heeft een hol, een vogel een nest.
     Hoe luid en droevig klopt mijn hart
als ik met een kruisteken en al oude knapzak
     een vreemd huurhuis betreed!

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder gepubliceerd in Europese nacht: gedichten van Ivan Boenin, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Ivanov, Dovid Knut, Boris Poplavski en Anatoli Steiger, vertaald door Jan Paul Hinrichs (Leiden: Plantage, 19963), p. 5.

Zie verder over Ivan Boenin: Jan Paul Hinrichs, Verbannen muze. Vijftien essays over schrijvers van de Russische emigratie (Leiden: De Slavische Stichting, 1990), pp. 31-38.

De mythe van Odessa: Russische roofdruk

VERTALING OF PLAGIAAT IN ODESSA?

Publiekelijk inhakken op vertalers was vooral in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een geliefde bezigheid
Televisieprogramma in Odessa,
11 juni 2011.

Foto © Jan Paul Hinrichs
onder slavisten. Ook buitenstaanders smulden van de strijd tussen Revianen en Timmerianen die veel ingezonden persstukken opleverde. Zo moest Marko Fondse regelmatig belhamels die zich aan de oude Timmer vergrepen tot de orde roepen. Vertalers leden niet gering onder de strijd: levenslange vijandschappen ontstonden om een paar regeltjes in de krant. Of dat het allemaal waard was? Vertalen is handwerk waarbij het vergeeflijk is als een enkele keer iets mis gaat. Anders wordt het als vertalers op de stoel van auteurs gaan zitten: dan maken ze zichzelf vogelvrij. [...]

Jan Paul Hinrichs

| Fragment van een artikel n.a.v. het verschijnen van een Russische vertaling-roofdruk van mijn boek De mythe van Odessa, eerder verschenen in De Parelduiker 17 (2012), No. 3, pp. 69-71. In bijgewerkte vorm herdrukt in: Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 126-129. 

Zie verder hierover het bericht van 22 mei 2012.

maandag 12 november 2012

Vier Letse gedichten (Vertaling)

VIER LETSE GEDICHTEN

 
JĀNIS RAINIS

BIJ NACHT

Het mooist zingt de nachtegaal
bij nacht;
het liefst wenkt het geluk
bij nacht;

in heftig verlangen, ga uit alleen
bij nacht,-
niemand, niemand zal het weten,
alleen de nacht.


ACHTER BOSSEN, ACHTER BERGEN

Achter bossen, achter bergen,
brandt ’s nachts heimelijk een vuur,
brandt ’s nachts heimelijk een vuur, 
rode stralen, gele vlammen.

Bossen zwijgen, bergen zwijgen,
als dat vuur heimelijk brandt,
als dat vuur heimelijk brandt,
door niemand aangestoken.

 
LINARDS TAUNS

OP ZOEK NAAR EEN LIED

Op zoek naar een lied
kijk ik in straten,
door smalle ramen
naar de grote wereld,
verward, bedwelmd spits ik mijn oor,
luister –
end naar de geluiden van de wereld,-
nee, met heel mijn wezen
pak ik de wereld vast,-
betast de wereld, snuif haar op, schrok en
             drink haar op,
op zoek naar een lied.

 
VALDA DREIMANE

GEDACHTEN

Soms lijkt het beter
in New York te dromen van Riga
dan in Riga te dichten over New York.
Want wat wisten wij ooit
van een berk,
voor wij in een wolkenkrabber een berk zagen?
wat wisten wij van Riga,
voor wij vreemde lanen voor de oude straten hielden?
wat wisten wij van een zonnebloem
voor wij een magnolia door haar vervingen?

Wij dwalen door de vreemde lanen in New York,
maar wij dwalen
met een berk in de hand, Riga in de ogen,
een zonnebloem in het hart.

Uit het Lets vertaald door Jan Paul Hinrichs
met dank aan Inga Schouten-Kalņinš en Irene Ahlers-Brutāne

| Vertaald voor de Baltische Culturele Middag van de Nederlands-Baltische Vereniging op zaterdag 17 november 2012 in Museum Oud Soest, Soest. De voordracht bevatte ook twee gedichten van Vizma Belševica  die in 1991 in vertaling verschenen (zie het bericht van 29 september 2012). Sindsdien zijn deze vier gedichten gepubliceerd in Baltische Wijzer, nr. 87, (november) 2013, pp. 21-22.

Trefwoorden: Letse literatuur | Kad nakts | Aiz to mežu, aiz to kalnu | Meklējot dziesmu | Pārdomām