zondag 24 november 2013

Atanas Daltsjev: Gedicht (2) (Vertaling)

ATANAS DALTSJEV

AAN EEN VRIEND

Jij, zeg je, kocht in een dorp zo’n huis
dat door de bewoners is verlaten,
en vanaf nu zal je rustig kunnen werken,
ver weg van de stad en de stadse haast.

Vriend, ik verbaas me over je vergissing:
met jouw geweten vind je daar geen rust.
Ontvolkte plaatsen kennen geen rust,
vol geesten is elk oud huis.

De krakende houten trappen die je repareert,
kraken niet door houtwormen maar door stappen
en wat je voor windgeloei in de schoorsteen houdt,
is het wanhopige wenen van verweesde zielen.

En spoedig, in een van je lange nachten,
zo voorvoel ik, zal je ze bij volle maan
over het verlaten erf zien terugkeren
naar het ouderlijk huis dat jij van hen hebt geroofd.

1976
 
Uit het Bulgaars vertaald door Jan Paul Hinrichs
 
 
| Eerder gepubliceerd in Atanas Daltsjev, Ontvolkte plaatsen, vert. Jan Paul Hinrichs (Oegstgeest: Stichting De Lantaarn, 2006, 2de druk), p. 7.

| Klik op het label hieronder voor een overzicht van meer berichten op dit blog over Atanas Daltsjev en andere Bulgaarse auteurs.
 

 

zondag 17 november 2013

Don-Aminado: Aforismen (2) (Vertaling)

DON-AMINADO* – AFORISMEN

Na familieleden zijn mensen met dezelfde achternaam het meest vervelend.

*
Mannen liegen met adjectieven, vrouwen met substantieven.

*
Een oprechte necrologie is de apotheose der onverschilligheid.

*
De saaiste vorm van erkentelijkheid is erkentelijkheid voor het verleden.

*
Druk je eenvoudig en kort uit!
Geen enkele waarheid is gezegd met hulp van een bijzin.

*
Alleen leeglopers schrijven kaarten.
En alleen fanatici antwoorden erop.

*
Leef zo dat het voor anderen vervelend is als je sterft.

*
Mensen kunnen pas gemakkelijk met elkaar praten als ze elkaar niets meer te zeggen hebben.

*
Na vijf glaasjes cognac gaat een Fransman over op mineraalwater, een Rus op ‘jij’.

*
Een paar oprechte natuurliefhebbers kunnen met vereende krachten elk landschap bederven.

*
De betekenis van hoge ouderdom zit in het overleven van schuldeisers.

*
Niets hindert het zien zo als een gezichtspunt.

*
Een wijze gelooft in het licht van het verstand, een stommeling in Bengaals vuur.

*
Als de chaos niet georganiseerd was, was de wereld niet geschapen.

*
Een oorvijg is de afschaffing van een handdruk die tot een logisch eind is gevoerd.

*
Het is beter een jachthond te hebben dan een dozijn belezen compagnons.

*
De meest artistieke vorm van vriendschappelijke correspondentie is een postwissel.

*
Mislukkingen komen op geen enkele afspraak te laat maar op elke afspraak niet op tijd.

*
Mannen liegen ronduit, vrouwen met tranen in de ogen.

*
Als iemand definitief niets meer te doen heeft, wordt hij ooggetuige.

*
Eén gezichtspunt kan de hele horizon bedekken.

*
Alleen andermans leven kan men in eigen woorden vertellen.

*
Rijke schrijvers geven fooi, arme een interview.

*
Het leven begint met een schreeuw en eindigt met een zucht.

*

Het is makkelijker slaaf van een idee te zijn dan heer van het woord.

*
Als je goedmoedig bent, maak dan een lijst van je vijanden.
Als je onverschillig bent, maak dan een lijst van je vrienden.


*
Miljonairs jagen op leeuwen, armen op muggen.

*
Alles in de wereld is betrekkelijk: voorzie een hond van een hondenleven en hij zal gelukkig zijn!

*
Citaten zijn als geliefde vrouwen: God verhoede dat ze te onpas komen.

*
Van belangrijke mensen neemt men na het overlijden het masker af, omdat het niet lukte die bij leven van hen af te rukken.

*
Wie niet onder slapeloosheid heeft geleden, kent zijn biografie niet.

*
Liefdesregel: hoe langer het voorwoord, des te korter de roman.

*
Onuitgesproken woorden blijven je een heel leven bij.

*
Overdenkingen bij de hoofdingang: bij de hoofdingang is het voor overdenkingen al te laat.

*
Wanneer mensen lang samen wonen, gaan ze op elkaar lijken en weinig op zichzelf.

*
De menselijke verhoudingen hangen niet af van de verbindingen maar van het aantal overstapjes

*
Gelukkig kan men een huwelijk noemen waarin de ene helft snurkt en de andere niets hoort.

*
Een scepticus is iemand die niet gelooft in gratis enthousiasme.

*

Beklaag je nooit: men gelooft je niet of is er blij mee.

*

Een vrouw vergeeft eerder een onverdiende belediging dan rechtvaardige kritiek.

*

Rijke mensen versieren de tafel met bloemen, arme met familieleden.

Vertaald uit het Russisch door Jan Paul Hinrichs

*Don-Aminado (1888-1957), pseudoniem van Aminodav Pejsachovitsj (Aminad Petrovitsj) Sjpoljanski, is een Russisch satirisch dichter en schrijver van aforismen, feuilletons, epigrammen en memoires. Na de Russische revolutie week hij via Odessa (waar hij ooit rechten studeerde) uit naar Parijs. Hij was ook advocaat en vrijmetselaar. Zijn ironische en spitsvondige bijdragen aan kranten en tijdschriften genoten onder Russische emigranten een grote bekendheid. Na zijn dood was het lange tijd stil rond Don-Aminado maar de afgelopen jaren verschenen in Rusland enkele heruitgaven van zijn werk. Buiten Rusland is zijn werk vrijwel onbekend. 

| Enkele aforismen zijn gepubliceerd in: Don-Aminado, Ooggetuigen zijn de gevaarlijkste vertellers: negenennegentig aforismen (vert. Jan Paul Hinrichs). Bleiswijk: Studio 3005, 2014. 


donderdag 14 november 2013

Nicolaas van Wijk: Nieuwstraat 36, Leiden in 1988

NICOLAAS VAN WIJK: HET HUIS NIEUWSTRAAT 36 IN 1988

De slavist Nicolaas van Wijk (1880-1941) woonde van 1914 tot 1941 in het patriciërshuis Nieuwstraat 36 in Leiden. In de literatuur over hem speelt dit huis een grote rol: hier ontving hij zijn studenten en gaf hij college rond de samowar.
Van Wijk en studenten, ca. 1939.

Foto © Collectie Jan Paul Hinrichs
Ook verschafte hij op dit adres onderdak aan talrijke vluchtelingen uit Rusland en Midden- en Oost-Europa. In een vroegere muziekzaal aan de tuin had hij zijn studeervertrek die door een lange gang met boekenkasten met het huis was verbonden (zie Jan Paul Hinrichs, Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941), Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2005, p. 179 e.v.). Van Wijks boekerij fungeerde als een leenbibliotheek voor studenten en collega's.

     In 1988 bezocht ik dit befaamde huis dat toen nog in bezit was van de familie Bakker die het in 1941 van Vladimir Zatskoj, de erfgenaam van Van Wijk, had gekocht. De voormalige werkkamer was in bouwvallige staat. De tuindeur leek permanent open te staan. Vensterglas was gebroken. De tuin - een paradijsje in het centrum van Leiden, vlak onder de Hooglandsekerk - leek nog in oorspronkelijke staat. Inmiddels is het hele huis gerenoveerd. Dit bleek bij mijn tweede bezoek dat plaats vond in 2012 (zie de foto's bij het bericht van 4 oktober 2013).
    Hierbij publiceer ik zes foto's die ik in 1988 maakte. Ze tonen ons de werkkamer en de tuin in een toestand die nog vermoedelijk dicht bij die in 1941 stond.

Jan Paul Hinrichs


1
Tuin en werkkamer van Nicolaas van Wijk, Nieuwstraat 36,
 Leiden, in 1988.

Foto © Jan Paul Hinrichs

2

Tuin en werkkamer van Nicolaas van Wijk,
Nieuwstraat 36, Leiden, in 1988.

Foto © Jan Paul Hinrichs

3


Werkkamer van Nicolaas van Wijk,
 Nieuwstraat 36, Leiden, in 1988.

Foto © Jan Paul Hinrichs
4
Werkkamer van Nicolaas van Wijk,
 Nieuwstraat 36, Leiden, in 1988.
Foto © Jan Paul Hinrichs


5


Tuin en werkkamer van
Nicolaas van Wijk,
Nieuwstraat 36, Leiden, in 1988.
Foto © Jan Paul Hinrichs
6

Tuin van Nicolaas van Wijk,
Nieuwstraat 36, Leiden, in 1988.
Foto © Jan Paul Hinrichs



| Klik op het label hieronder voor een overzicht van meer berichten over Nicolaas van Wijk op deze blog. 







maandag 4 november 2013

Daniil Charms: Verhaal (2) (Vertaling)

DANIIL CHARMS – <ANTON ANTONOVITSJ HAD ZIJN BAARD AFGESCHOREN….>

Anton Antonovitsj had zijn baard afgeschoren en geen van zijn bekenden herkende hem nog.
     ‘Hoe kan dat nou’, zei Anton Antonovitsj, ‘ik ben het toch, Anton Antonovitsj. Ik heb alleen mijn baard afgeschoren.’
Daniil Charms, Onverwacht
drinkgelag en ander proza
(Oegstgeest: De Lantaarn, 2007)
    ‘Ja, ja!’ zeiden de bekenden. ‘Anton Antonovitsj had een baard, u heeft er geen.’
     ‘Ik zeg u toch dat ik ook een baard had, maar ik heb die afgeschoren’, zei Anton Antonovitsj.
     ‘Er zijn er zoveel die vroeger een baard hadden!’ zeiden de bekenden.
     ‘Wat is dit nu allemaal’, zei Anton Antonovitsj en werd boos, ‘wie ben ik dan volgens u?’
     ‘Dat weten we niet’, zeiden de bekenden, ‘u bent alleen Anton Antonovitsj niet.’
     Anton Antonovitsj raakte in verwarring en wist niet wat hij moest doen. Hij ging op bezoek bij de Naskakovs, maar die ontvingen hem met verbaasde gezichten en vroegen: ‘Voor wie komt u?’
     ‘Ik kom voor u, Maroesenka!’ zei Anton Antonovitsj. ‘Het kan toch niet zo zijn dat u me niet herkent!’
     ‘Nee’, zei Maroesja Naskakova nieuwsgierig. ‘Maar wacht, heb ik u misschien bij Valentina Petrovna gezien?’
     ‘Wat zegt u daar, Maroesja!’ zei Anton Antonovitsj. ‘Kijkt u nu eens goed naar me. Herkent u me?’
     ‘Wacht, wacht... Nee, ik kan me niet herinneren wie u bent.’
     ‘Maar ik ben Anton Antonovitsj!’ zei Anton Antonovitsj. ‘Heeft u me nu herkend?’
     ‘Nee’, zei Maroesja, ‘u houdt me voor de gek.’

<1934-1937>

Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in: Daniil Charms, Onverwacht drinkgelag en ander proza, uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs (Oegstgeest: Stichting De Lantaarn, 2007), p. 12 (Kelderkast; 5).

zondag 3 november 2013

Atanas Daltsjev: Fragmenten (Vertaling)

ATANAS DALTSJEV - FRAGMENTEN

het jaar 1944

Een bijzondere poëzie, ironisch en onheilspellend, is met de vernielingen door de bombardementen ons leven binnen gedrongen. Vreemd, lelijk en fantastisch werden veel alledaagse dingen:
     - deuren die boven een afgrond opengaan
     - aan kale eenzame muren opgehangen balkons die nu nog alleen maar door vogels en engelen kunnen worden bezocht
     - huizen waarin de eigenaars als rovers over het dak binnenkomen
     - vensters waardoor de hemel van binnenuit kijkt
    - etages die mensen met houten ladders bereiken alsof ze een boom inklimmen
     - kelders vol sneeuw.

 *

Als een onbekende in huis komt, trekt mijn kleine dochter zich terug in een hoek van de kamer en daarvandaan volgt ze hem zwijgend. Later, wanneer zij zich op de schoot van haar moeder heeft gevlijd of de armen om mijn hals heeft, vraagt ze om zich gerust te stellen: heeft deze meneer ook een kindje, een klein kindje zoals ik. Hetzelfde vraagt zij over ‘god’, als ze het hoort donderen en in de donkere vensters de grote vlammen van de bliksem ziet. En gelijk heeft ze: wie vader is, is reeds voor het goede gewonnen, hij kan niet eng zijn.


de  schrijver

Hij woont met zijn gezin van zes zielen in één kamer en een keuken en voor zijn schrijverschap is geen plaats. 's Avonds wacht hij tot de kinderen slapen, totdat zijn vrouw heeft opgeruimd en dan gaat hij werken in de keuken. Hij doet de lamp aan, veegt met zijn arm de kruimels van tafel, legt de vellen neer en gaat zitten om te schrijven. De vliegen, wakker geworden door het licht, cirkelen boos om hem heen. Boven zijn hoofd kruisen de waslijnen: hun schaduwen hangen aangedikt over de muren en een paar enorme insecten kruipen er overheen. Maar hij merkt ze niet op. Zijn ogen, gericht op de witte leegte van het papier, vangen andere beelden.

*

Elke schrijver die succes zoekt, schrijft niet wat hij wil maar wat de mensen van hem willen. En ten onrechte ziet hij zijn succes als invloed: hij is hier de beïnvloede.

*

Ik vlucht niet van het succes weg vanwege het succes zelf maar vanwege hen die het hebben. Ik schaam me op hen te lijken.

*
de bibliotheek

In Toulouse werkte ik overdag in de openbare bibliotheek, maar ik hield ervan om ' s avonds naar de universiteitsbibliotheek te gaan. ‘s Avonds was het daar mooier. De grote kroonluchters aan het plafond brandden niet, de muren verdwenen in de zaal waardoor het er ruimer werd, er ontstond een soort halfduister, waarin op de tafels hier en daar lampen met groene glazen kappen brandden. En wie weet zag het er door het duister nog stiller uit. Ik had niet het gevoel dat ik me in een afgesloten ruimte bevond. Het leek of ik ergens buiten was, in de nacht, op het veld. De groene lampenkappen riepen in mijn bewustzijn voorstellingen op van bladeren, bomen, lichtkevers en maanlicht.
     De bibliotheek werd bezocht door een klein aantal studenten dat een gelukkige uitzondering vormde op hun collega’s, liefhebbers van bioscopen, kroegen en andere etablissementen. Er kwamen ook een paar lange negers die licht gekleurde kleren droegen. Hun gezichten vloeiden samen met de duisternis. En het was een beetje angstaanjagend om, opgeschrikt door het onvermoede kraken van het parket, je ogen die nog vol onwerkelijke beelden zijn op te slaan van het boek en te zien hoe als in een nachtmerrie een gestalte naar je toe zweefde, een leeg kostuum zonder hoofd en handen.

*

Met bekenden en vrienden praat hij natuurlijk maar als hij zich tussen meer mensen bevindt of als hij telefoneert, begint hij ineens te spreken met een zware en donderende, duidelijk mannelijke stem. Deze vreemde, veranderde stem hoor ik ook in zijn poëzie. Daarom bevalt die me niet.

*

Ze beschuldigen mij ervan dat ik alleen mijn goede gedichten heb laten drukken en dat ik de slechte heb verborgen. Nee, mijn slimheid is nog groter: ik schrijf alleen de goede.

*

Als je ouder wordt, keer je terug naar je eerste jaren, herinner je je de gevoelens en indrukken van toen, ontmoet je vrienden van weleer.
     Het leven lijkt veel op een verblijf in een vreemde, onbekende stad. Op een ochtend kom je aan op het station, je ziet het plein ervoor, de auto’s die op de reizigers wachten, de menigte die altijd iets eigenaardigs heeft op zo'n plaats, de kruiers, de spoorwegmensen. Dat zijn je eerste indrukken. Later ga je in de stad wonen; je begint door andere straten te lopen; andere plaatsen en andere dingen trekken je aandacht. Weken gaan voorbij, maanden. En dan komt de dag van vertrek. Opnieuw ga je naar het station, opnieuw zie je het plein met de auto’s in de rij dat je was vergeten. Je ziet dezelfde mensen. Wat er in het begin was, herhaalt zich voor jou en je begrijpt dat het einde is gekomen.

soms in het park

Op wandelingen met mijn vrouw ontmoet ik soms in het park oude mensen van wie ik denk dat ik ze nog als kind heb gezien. Misschien waren dat toen hun ouders op wie ze met het ouder worden zijn gaan lijken. En je hoeft je geenszins te verbazen als zij op hun beurt, wanneer ze mijn vrouw en mij ontmoeten, ons voor mijn vader en moeder houden.
     Het leven is een voortdurende herhaling.

 *

de levenden en de doden

Het valt in Frankrijk op dat het nieuwe in gemeenschap  met het oude leeft, dat het heden het oude niet verstoot maar naast en met het verleden leeft. En de mensen verbannen daar, zoals elders, hun doden niet naar een plaats buiten de stad: de begraafplaatsen zijn midden in een gemeente.
     Ik herinner me begraafplaatsen in Montparnasse waar het laatste graf naast het eerste huis stond. De levende en de doden wonen bij elkaar en als ze elkaar ontmoeten, zullen ze zeker als goede buren een gesprek voeren.

*

Poëzie ontstaat niet wanneer wij willen maar wanneer zij wil. Zij lijkt veelal op het vergeten woord dat ons alleen over de lippen komt nadat we zijn opgehouden het te zoeken.

*
 
het kon ook werkelijkheid worden

We praten in hun tuin. ‘Wacht’, zeg ik. ‘ik heb het boek thuis. Ik zal het even halen.’ Ik open de deur en ga de straat op.
     In het begin merk ik het niet maar het gevoel dat iets is veranderd, dringt onopvallend in mijn bewustzijn door. Mijn huis was dichtbij en nu loop ik al langere tijd dan nodig was om er te komen. De kruidenierszaak waarlangs ik altijd liep, is er niet meer; ik zie het kruispunt niet waar je van oudsher moest afslaan. ‘Deze straat kruiste toch met die en die’, vraag ik reeds verward aan een voorbijganger.  ‘Ik weet niet of er hier ooit zo'n straat is geweest’, antwoordt hij en haalt zijn schouders op.
     Nu zie ik dat de straat anders is, de gebouwen zijn verschillend en de mensen die ik ontmoet zijn onbekenden. Hoe verder ik loop, des te duidelijker wordt het me dat ik op een vreemde plaats ben terechtgekomen, in een vreemde stad waar ik ondanks alles heb geleefd, en des te sterker doet het gevoel van eenzaamheid mijn hart ineenkrimpen.
     Ik word wakker. Dit is een droom maar als het menselijke leven langer was, dan kon het ook werkelijkheid worden.

Uit het Bulgaars vertaald door Jan Paul Hinrichs

aantekening van de vertaler

In Fragmenten (1967) bundelde de Bulgaarse schrijver Atanas Daltsjev (1904-1978) prozastukken die moeilijk bij één genre zijn onder te brengen. De titel dekt een mengeling van kritische notities over kunst en literatuur, aforismen, reisimpressies, dagboekfragmenten en gedichten in proza. Daltsjev publiceerde ook ongeveer vijfenzeventig gedichten, enige essays, recensies en vertalingen, vooral uit de Franse en Russische poëzie. Zijn gedichten kenmerken zich, evenals de ‘fragmenten’, door een karig taalgebruik, een grote nuchterheid en een inhoud die, hoe filosofisch ook, de sfeer van de persoonlijke ervaringen en waarnemingen niet ontstijgt.
     Na 1944, toen in Bulgarije de communisten aan de macht kwamen, weigerde Daltsjev zich te onderwerpen aan van bovenaf aan schrijvers opgelegde ‘socialistische’ normen; hierdoor kon zijn werk lange tijd niet worden gepubliceerd. In zijn principiële houding stond hij toen als schrijver tamelijk alleen. Georgi Markov, de Bulgaarse schrijver die in 1978 wereldberoemd werd als slachtoffer van de Londense paraplumoord, schreef kort voor zijn dood in zijn essay ‘In memoriam Atanas Daltsjev’ : ‘Hij hield ervan zich met jonge dichters en schrijvers te omgeven die in hem de karaktereigenschappen vonden die misschien in het huidige Bulgarije wel het meest worden gemist: waardigheid en wijsheid.’
    Voor meer informatie over Daltsjev verwijs ik naar mijn opstel ‘Een Bulgaars geweten’, in Tirade jrg. 30, nr. 302, januari/februari 1986. In enigszins gewijzigde en uitgebreide vorm verscheen dit ook in mijn boekje Langs grenswegen. Over Bulgaarse poëzie van deze eeuw (De Lantaarn, 1987).

 | De dertien prozagedichten van Atanas Daltsjev en de aantekening van de vertaler verschenen eerder in 1995 bij de Arethusa Pers in Baarn onder de titel Fragmenten (oplage: 100 genummerde ex.). Herdrukt werden ze in Atanas Daltjsev, Ontvolkte plaatsen, vert. Jan Paul Hinrichs (Oegstgeest:  Stichting De Lantaarn, 2006), pp.  9-15.

| Trefwoorden: Атанас Далчев | Фрагменти

vrijdag 1 november 2013

Petersburgse dichters (Recensie)

DE AARDE KENT MAAR ÉÉN HOOFDSTAD

Sint-Petersburg, Jelagin-eiland, 24 maart 1996.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Van ‘Moskouse poëzie’ heeft nooit iemand gehoord maar in het bestaan van een specifiek Petersburgse dichterschool wordt, met name in Petersburg zelf, heilig geloofd. Onmiskenbaar bestaat er ook een Russische traditie van dichters, van Alexander Poesjkin in de vroege negentiende eeuw, over de symbolist Alexander Blok en Anna Achmatova tot aan Joseph Brodsky in recente tijd wier leven en werk onlosmakelijk met de Petersburgse architectuur en mistige sfeer waren verbonden. De Petersburgse critici Andrej Arjev en Samuil Lurje stellen in het aprilnummer van Optima dat de traditie voortleeft. Nog altijd, aldus Arjev en Lurje, zijn er dichters die het Petersburgse leven als een soort droom ervaren, die opereren op ‘een speciaal gebied tussen het zijn en het niet-zijn, tussen het leven en de dood’ en die in hun regionale isolement een teken van uitverkorenheid zien.
    De ingrediënten van het Petersburg-gevoel zijn bekend: de barokke en classicistische paleizen en kerken die volstrekt in tegenspraak zijn met de Finse moerassen waarop ze zijn gebouwd (‘Palladio aan de poolcirkel’, volgens de filosoof Fjodotov), het vreemde noordelijke licht met witte zomernachten en zwarte winterdagen, en natuurlijk de ‘spoken van de literatuur’ die in elke wijk en in elk huis wonen. Met enige verbeeldingskracht kan men zich in Petersburg een figurant voelen in een hoogst merkwaardig toneelstuk, waarin romanpersonages van Dostojevski even werkelijk zijn als het verkeer op straat. En dit is geen toeristisch cliché: Petersburgse dichters beamen dit zelf tot vervelens toe.
     Toch zijn de tijden radicaal veranderd. Petersburg is niet meer de hoofdstad van de Russische literatuur die zij in het begin van de eeuw onder Alexander Blok was. Achmatova leefde weliswaar nog decennia in Leningrad en Brodsky groeide er op, maar in het Sovjetimperium was de nieuwe hoofdstad Moskou duidelijk ook het literaire centrum. In Jeltsins Rusland bleef dat zo, zij het dat Petersburg sinds de stad weer ‘Sankt-Peterboerg’ heet wel in aanzien is gestegen. Wat de ‘nieuwe Petersburgers’ met de Moskouse collega’s van dit moment gemeen hebben, is hun tamelijk marginale maatschappelijke rol: de oplagen van literaire boeken zijn een fractie van die van enkele jaren gelden. De laatste dichtbundel van Elena Sjvarts, Mundus imaginalis (1996), verscheen in een oplage van duizend exemplaren, waarmee een Petersburgs dichter beslist aan de top zit. De essaybundel Herinneringen aan Euterpe (1996) van Aleksej Poerin heeft in een miljoenenstad een oplage van maar vijfhonderd exemplaren. Waarschijnlijk hebben Russische auteurs het ook moeilijk zich te bewijzen in een omgeving waar men tot voor kort alleen schreef voor de eigen la, een kleine achterban van ‘kenners’ of voor een onbekend buitenlands tijdschrift. Artistiek gesproken hoefde zo’n semiclandestien bestaan niet per se slecht uit te pakken. De censuur werkte een compromisloze poëtica in de hand, terwijl de vrije markt soms weer andere codes vereist die opnieuw bevochten moeten worden.
     Sergej Stratanovski (1944) is als dichter gegroeid in het ondergrondse circuit van de Brezjnev-tijd. Tot 1985 publiceerde hij alleen in emigrantentijdschriften en in Leningradse samizdat-uitagven. In Optima is in vertaling van Arthur Langeveld een cyclus ‘Kanttekeningen bij de bijbel’ opgenomen die dateert van het begin van de jaren tachtig. Hieruit spreekt duidelijk de poëtica van het ondergrondse: een zwartgallige sfeer van dreiging en afkeer van het dagelijkse leven die in een cryptische taal is gegoten.
    Elena Svjarts (1948) is van het in Optima opgenomen viertal het bekendste dankzij de dichtbundels die zij in de jaren tachtig in Amerika en Frankrijk publiceerde. Svjarts schrijft een grillige, soms naar het experimentele neigende, emotionele, religieus getinte poëzie. Haar scala aan onderwerpen en decors is tamelijk breed en varieert van uitstapjes naar het Rome van Propertius naar de alledaagse werkelijkheid in Petersburg, ‘in ijzig Hyperborea, in tuinen van beton, in gras van steen’ (vertaling Peter Zeeman). Ook woordspelingen zijn haar niet vreemd: zo noemt ze Petersburg in een gedicht ‘Pepelburg’, ofwel ‘Stad van as’.
    Tatjana Voltskaja (1960) en Aleksej Poerin (1955) horen tot de jongere generatie die ten tijde van de ‘perestrojka’ hun eerste publicaties beleefde en die poëtisch minder door de beperkingen van de censuur werd gevormd. Volstkaja, vertaald door Miriam Van hee, schrijft gedichten die evenals die van Sjvarts een duidelijk religieuze achtergrond hebben. Ze lijkt wat traditioneler en ingetogener en laat zich leiden door een subtiel natuurgevoel. Petersburgse contouren zijn op het eerste gezicht ver te zoeken, of het zou moeten zijn in de regel: ‘Mijn leven staat tegen de muur, als een kunstwerk uit de Hermitage / dat zijn kleur verloren heeft.’
     Aleksej Poerin laat zich in de vertaling van Hans Boland lezen als een dichter van aanstekelijke poëzie die op gelegenheidswerk lijkt, speels en vol verrassende associaties. De reisthematiek, bekend van Joseph Brodsky, treft men veelvuldig bij hem aan, maar zijn gedichten zijn duidelijk minder strak en psychisch geladen dan bij zijn befaamde stadgenoot. Poerin lijkt een dichter van het anekdotische moment en van het woordspel. Hij heeft ook een gedicht over Amsterdam compleet met het blozen van de dichter over wat in de vertaling ‘condomendom’ heet: een dergelijk detail zou de naar metafysica neigende Brodsky niet uit zijn pen hebben gekregen. Toch is Poerins kosmopolitisme niet uitsluitend het gevolg van de huidige reisvrijheid maar ook de weerslag van de oude sovjetrealiteit. In een gedicht over zijn diensttijd in Karelië, ‘Euraziërs’, schildert hij het bonte, multinationale karakter van het Sovjetleger, met soldaten uit alle regionen: ‘Hier in Scandinavië lijkt het Montenegro wel.’
    Het Petersburg-gevoel is niet zo maar uit elk gedicht van het viertal dichters te distilleren. Maar hoezeer Aleksej Poerin zich met de Petersburgse traditie verbonden voelt, blijkt in ieder geval uit zijn essaybundel Herinneringen aan Euterpe waarin we in een essay over de Grote Zeestraat, de geboortestraat van Vladimir Nabokov, lezen: ‘We hebben een stad waarin we ons allen “buitenlanders” voelen en waarin we “emigreren” uit het Russische leven.’ Alleen al het schrijven van een essay over zo’n straat is typisch Petersburgs, vanwege het geloof dat eruit preekt in de specifieke poëtica van de Petersburgse ruimte, ook op straatniveau. Eigenlijk vinden veel Petersburgers dat de buitenwereld hen moet benijden voor het verloren paradijs waarin ze leven, en ze genieten ook stilletjes van hun zorgvuldig gecultiveerde traditie. Arjev en Lurje zetten niet voor niets twee prachtige regels van Georgi Adamovitsj als motto boven hun stuk: ‘De aarde kende maar één hoofdstad. Al die andere waren gewoon steden.’

Rec. van Optima, nr. 54 (1997).

Jan Paul Hinrichs

| Eerder verschenen in Vrij Nederland, 19 april 1997, p. 75.

| Trefwoorden: Елена Шварц | Сергей Стратановский | Татьяна Вольтская | Алексей Пурин | Георгий Адамович | "На земле была одна столица, / Все другое - просто города."