zondag 30 november 2014

Brief uit Vidin (1980)

REISBRIEF UIT SOFIA
Synagoge in Vidin, februari 1980.
Synagogue in Vidin, Bulgaria, February 1980
Photograph by Jan Paul Hinrichs


© Jan Paul Hinrichs 

Zonder veel stuiptrekkingen landt het Russische kistje, waarvan de eerste aanblik in Sofia wel tot enig nadenken stemde op het ‘aerogara’ van Vidin, een in het uiterste noordwesten van Bulgarije gelegen Donau-stad. Onder het handjevol provincialen dat uitstapt, bevinden zich een Vlaamse student en ik. Bij het teruggeven van de bagage blijkt mijn tas zoek te zijn. Maar een speurtocht tussen de postzakken aan boord brengt hem nog boven water.
            Met een bus naar de stad. Modder en mist maken de buitenwijken nog armoediger. We worden afgezet op het uitgestorven hoofdplein. Een hotel is gauw gevonden. Bij de lunch vraagt de ober of wij voor het chemisch instituut zijn gekomen. Nee, gewoon als nieuwsgierigen. Ongeloof alom.
            Weldra volgt de eerste verkenning. De reisgids belooft een fraaie moskee. Op weg daarheen worden we meteen door iemand gevolgd, maar de man spreekt ons niet aan. Pas een half uur later, als de moskee achter ons ligt, raken we hem kwijt. Het meest bekend is Vidin om de Baba Vida, Bulgarije’s enige burcht. Hiermee hebben we volgens de gids alles al gehad, maar wij ontdekken een kolossale synagoge die ons meer interesseert. Alle ruiten zijn gesneuveld en de deur naar de bovengalerij staat open. Beneden zijn toneelrekwisieten opgeslagen. We sluipen zo lang met camera’s rond het gebouw rond dat omwonenden naar ons beginnen te gluren. Maar ook ‘gewoon op straat’ baren we opzien.
            We dineren in het andere hotel. Waarom dat gebouwd is, is onduidelijk. De bezoekers zitten de hele avond op een of twee drankjes. Voor die drankjes kan dan wel de hele avond worden gedanst, een gebeuren dat overal in Bulgarije ook het karakter van trimmen heeft.
            De volgende morgen betalen we voor nog een nacht. ‘Wilt u gescheiden kwitanties voor declaratie bij uw instituut?’ vraagt de receptioniste. We nemen de weg die ons in Noordelijke richting de stad uitvoert, langs de muren van wat eens een machtige Turkse citadel was. Weldra komen we in een gebied van verlaten huizen, kudden schapen tussen uit autobanden bestaande afrasteringen, vuilnisbelten, groezelige fabriekjes, een onbewaakt soort steenbakkerij waar een bord ‘Militair object. Streng verboden toegang’ voor staat.
Joodse begraafplaats, Vidin, februari 1980.
Jewish cemitary, Vidin, Bulgaria, February 1980.
Photograph by Jan Paul Hinrichs

© Jan Paul Hinrichs
            Een eind van de weg af is een kerkhof waar bij inspectie alleen katholieken blijken te liggen. In de verte zijn nog meer grafstenen. We nemen een met vuil bezaaide moddervlakte en waden ons door struikgewas om te komen bij wat het Joodse kerkhof van Vidin blijkt te zijn. De laatste begrafenis blijkt in 1976 plaats gevonden te hebben. Opvallend is dat een rij van tien andere recente grafstenen grondig is vernield is.
            Alles is er: zwaar bewolkte hemel, kraaien, konijnen, schapendrollen, kadavers, mos, een uitgebrand opzichterhuisje, de toeter van de veerboot naar Calafat in de ijzige februaristilte. Men stelle zich er een begrafenis voor, met de kist die eerst door de struiken heen moet en het klaaggezang van een rabbijn die uit Sofia heeft moeten overkomen, over de vlakte. Een slavist herinnert zich op zo’n plaats flarden uit Joseph Brodsky’s, door hemzelf later verworpen gedicht over het Joodse kerkhof in Leningrad: ‘Achter het scheve hek liggen naast elkaar juristen, handelaren, muzikanten, revolutionairen. Voor zichzelf zongen ze. Voor zichzelf spaarden ze. Voor anderen stierven ze. Maar eerst betaalden ze belastingen, respecteerden de politie, en in deze wereld, hopeloos materiaal, verklaarden ze de Talmoed en bleven idealisten. Misschien zagen ze meer. Misschien geloofden ze blind. Maar zij leerden hun kinderen verdraagzaam te zijn en werden koppig….’
Synagoge in Vidin, april 1991.
Synagogue in Vidin, Bulgaria, April 1991.
Photograph by Jan Paul Hinrichs

© Jan Paul Hinrichs
De volgende dag vertrekken we. Door mist in Sofia moeten we met de trein. Acht uur doet deze over de tweehonderd kilometer. We zijn het erover eens: een reis naar Vidin was veldwerk op het gebied der verlatenheid. Nergens ter wereld zag ik ook zoveel openbare wc’s, terwijl de straten eigenaardig stil waren,- totdat ergens een bioscoop, waar een belegen film gedraaid werd, uitging.

Jan Paul Hinrichs
           

| ‘Brief uit Vidin’, verscheen als ‘Reisbrief uit Sofia’, in Mare 3, no. 26, 13.03.1980, p. 12. De tekst verscheen daarna ook binnen het artikel ‘Uit een verdwenen wereld’ in Tirade 29 (1985), no. 296, pp. 91-97. Met wijzigingen herdrukt als 'Brief uit Vidin' in: Jan Paul Hinrichs, Brief uit Vidin (Nijmegen: Flanor, 2015), pp. 63-65. 

Trefwoorden: Vidin Jewish synagogue cemitary Видин синагога еврейско гробище

vrijdag 14 november 2014

Don-Aminado: vertaling verschenen

DON-AMINADO VERSCHENEN

Studio 3005 publiceerde zojuist in mijn vertaling Ooggetuigen zijn de gevaarlijkste vertellers, 99 aforismen van Don-Aminado (1888-1957). Don-Aminado, pseudoniem van Aminodav Pejsachovitsj (Aminad Petrovitsj) Sjpoljanski is een Joods-Russisch satirisch dichter en schrijver van aforismen, feuilletons, epigrammen en memoires. Na de Russische
revolutie week hij via Odessa uit naar Parijs. Hij was ook advocaat en vrijmetselaar. Zijn ironische en spitsvondige bijdragen aan kranten en tijdschriften genoten onder Russische emigranten een grote bekendheid. Na zijn dood was het lange tijd stil rond Don-Aminado maar de afgelopen jaren verschenen in Rusland enkele heruitgaven van zijn werk. Deze uitgave verscheen in een oplage van 66 exemplaren en is te bestellen bij Studio 3005



vrijdag 31 oktober 2014

Schoon & haaks [afl. 3]

SCHOON & HAAKS [AFL. 3]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privé-drukkers en marginale uitgevers bespreek. In de derde aflevering staan recensies van de volgende boeken:

  • L.Th. Lehmann, De muziek van Louis Lehmann: 41 radiopraatjes bij de VPRO. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2006 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].  
  • L.Th. Lehmann, Composities voor piano. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2de druk 2009 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
  • L.Th. Lehmann, Scheepsjournaal 28 april tot 8 mei 1948. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2011 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
  • L.Th. Lehmann, Jordaankroniek. Amsterdam: De Gouden Reaal, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].
  • Norbert Hummelt, Alles stil. Vert. Erik de Smedt. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
  • Philip Nikolayev, De waarheid zoals die zich eens voordeed. Vert. Jabik Veenbaas. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
  • Ann Jäderlund, Waarom zijn we niet in het paradijs? Vert. Lisette Leustermans. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
  • Habib Tengour, Geheim op klaarlichte dag. Vert. Kiki Coumans. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 8 juli 2015].
  • Jacq. Boersma, Uisla, ruisend als bladeren. Een zelfportret. Utrecht: Salon Saffier, 2014 (Utrechtse Boekhoudpers; 8) [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 7 juli 2015].

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 19 (2014), nr. 4-5, pp. 153-157.

zondag 5 oktober 2014

Triëst in de literatuur

WOORD VOORAF

‘Turn left,’ the Colonel said.
‘That’s not the road for Trieste, sir,’ Jackson said.
‘The hell with the road to Trieste. I ordered you to turn left. Do you
think that there is only one way in the world to get to Trieste?’

Ernest Hemingway, Across the river and into the trees (1950)

Triëst ligt in onze dagen buiten de geijkte reisroutes. Er zijn vanaf vliegvelden buiten Italië nauwelijks vluchten naar de stad en exprestreinen stoppen er niet meer. In deze grensstad met ruim tweehonderdduizend inwoners, ooit een onontkoombaar transitpunt tussen Oost en West, komt men nauwelijks meer zonder voorbedachte rade. Op het bezit van spectaculaire monumenten of andere bezienswaardigheden kan Triëst zich ook niet beroemen. Bij gebrek aan beter voeren locale folders het net buiten de stad gesitueerde witte kitschkasteel Miramare op. Maar er is betere sier te maken met de beurs, de havenpier, de verbluffend grote synagoge of de combinatie van een tram en kabeltrein die van Piazza Oberdan de verbinding onderhoudt met de hoogte van Opicina.
In de winter is de stad ook geen aantrekkelijk reisdoel: dan beukt de ‘bora’, een harde ijzige wind, op de grijze stad en spant men langs de straten touwen met knopen waaraan voetgangers zich kunnen vasthouden. ‘Ik verbaasde me over de gedaantewisseling van de stad aan de zee’, schrijft de slaviste Ilma Rakusa over de ‘bora’ in haar autobiografie Mehr Meer (2009). ‘Hoe ze ineens haar tanden liet zien, bedreigend werd. Hoe ze je tot terugtrekking dwong. Wanneer de elementen tierden, verstomde de dialoog. Het huis werd een vesting, al het andere vreemd.’ Hier verschijnt Triëst als een stad die zich van buitenstaanders afwendt. Niettemin oefent Triëst in alle tijden als literaire mythe een onmiskenbare aantrekkingskracht uit.
De mythe lijkt wel sterker dan de werkelijkheid. Dat is de gedachte uit het boek A ghost in Trieste (1993) van de Amerikaanse literatuurprofessor Joseph Cary. Hij kwam naar de stad met een vaag plan voor een boek over ‘literair Triëst’: ‘Maar toen ik daar kwam, ontdekte ik dat een verblijf in Triëst een ontmoedigende ervaring kon zijn. Onbekend en aantrekkelijk als ze zeker was, behandelde de stad me ironisch. […] Ik zat daar gewoon, alleen. Ik keek, kneep mijn ogen dicht, sloot ze. Maar er gebeurde niets. […] Tegen het einde van mijn eerste week raakte ik tamelijk terneergeslagen. Toen het tijd werd te vertrekken, voelde ik me minder dan ooit zeker van Triëst en wat ik ermee wilde doen.’ Triëst lijkt zo een ideale bestemming voor ondernemers van imaginaire reizen die bij voorkeur thuis blijven.
De stad wordt in de literatuur vaker een gebrek aan identiteit aangewreven. Ilma Rakusa haalt haar schouders op over Joyce, Svevo en andere Triëstijnse iconen: ‘Toch blijft Triëst overschaduwd, verstrikt in dubbelzinnigheid waaruit zich geen identiteit laat reconstrueren. Of de niet-identiteit wordt tot het symbool van de stad. Rand, grens, tussengebied, passage.’ In haar boek Trieste and the meaning of nowhere (2001) stelt Jan Morris dat ze in Triëst juist wel vond wat ze zocht. Triëst was ‘niet gewoon een stad maar een idee van een stad’ die haar bezoekers noodzakelijkerwijs terugwerpt op zichzelf: ‘Triëst laat je droevige vragen stellen over jezelf. Waarom ben ik hier?’ Zij voert net als Carey allerlei schrijvers op maar betrekt de stad uiteindelijk op haar eigen leven: ‘Ik schrijf over ballingen maar ik ben me zelf ook een balling gaan voelen. […] Manhatten windt me meer op dan Triëst ooit kon doen, en hetzelfde geldt voor Sydney. Maar hier herinner ik me meer dan elders vergane tijden, verkeken kansen, verloren vrienden, met de zoete triestheid die onomatopoëtïsch is voor deze plaats.’
Hier stuiten we op een particulier perspectief waarvoor in principe elke stad zich leent. Maar zonder de uitgebreide literaire canon die over Triëst bestaat, zou ook Morris te weinig houvast hebben gehad om een boek over de stad te kunnen schrijven.
             
Triëst is op de letterkundige kaart gezet door de nooit geheel opgehelderde hotelmoord, in 1768, op Johann Joachim Winckelmann, de grondlegger van de klassieke archeologie. De geleerde was op doorreis naar Italië uit Wenen in Triëst aangekomen. Via deze weg hebben veel reizigers uit Duitsland en Oostenrijk niet alleen met Triëst maar met de zee en de mediterrane wereld kennis gemaakt. De naar zuidelijke sferen smachtende dichter August von Platen vat in een dagboekaantekening van 6 september 1824 zijn eerste indrukken van Triëst samen. Ze vertonen nogal wat overeenkomst met reisbeschrijvingen van andere van zon en zee verstoken ‘Middeneuropeanen’. Triëst bood wel wat anders dan de gure Duitse universiteitsstadjes waaraan de in de liefde en de literatuur niet bijzonder succesvolle dichter was gewend: ‘Zo’n avond in Triëst, wat een levendig schouwspel ontrolt zich aan je ogen! De elegante bouwstijl van de stad, de beurs, de schouwburg en talloze andere mooie gebouwen, de vele grote pleinen, de prachtig verlichte koffiehuizen en het fraaie plaveisel van vierkante tegels waarop je zo geriefelijk loopt als in een kamer, de poort bij de haven met het madonnabeeld, door duizend lampjes verlicht en druk bezocht door gelovigen, de haven zelf met al zijn schepen met hier en daar een eenzaam lichtje, het Canal Grande waar de scheepsmasten midden tussen de huizen van Triëst oprijzen, de uiteenlopende klederdrachten van verschillende naties, vooral Grieken en Armeniërs, de fruitmarkt met zijn korven vol meloenen en piramiden van sinaasappels en waar overal kaarsen en lampen staan te branden, en ten slotte de drommen mensen die zich in alle straten verdringen, dat alles maakt een enorme indruk op de vreemdeling die hier aankomt.’
            De scheepsmasten, markten en buitenlanders bij Von Platen staan borg voor de handelsplaats Triëst. De stad, al sinds 1382 onder Habsburgs gezag, was in 1719 door keizer Karel VI tot een vrijhaven gebombardeerd. Triëst trok vanaf dat moment veel buitenlandse zakenlieden, veelal van joodse origine, en avonturiers aan. Na de val van de Venetiaanse republiek in 1797 groeide Triëst in de negentiende eeuw uit tot de belangrijkste handelsplaats van de Adriatische Zee waar tal van naties consulaten vestigden. Onder de ‘literaire’ consuls treffen we in de negentiende eeuw de Franse schrijver Stendhal en de Engelse ontdekkingsreiziger en arabist Richard Burton aan.
            Rijkelijk laat, in 1857, ontstond de treinverbinding, de Südbahn, tussen Triëst en Wenen. Inmiddels werden al veel goederen waarvoor lange tijd Triëst als overslagplaats had gefungeerd in havens als Hamburg en Bremen verwerkt. Maar aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was Triëst, dat aan het einde van de negentiende eeuw zijn status van vrijhaven was kwijtgeraakt, nog altijd de negende haven van Europa. Het was ook het hoofdkwartier van de Oostenrijkse Lloyd, een machtige rederij, handelshuis en verzekeringsmaatschappij.
            Niets wees er in het begin van de vorige eeuw op dat in de stad enkele schrijvers verbleven die later wereldvermaard werden en de beeldvorming over de stad gingen domineren. De Weense schrijver Hermann Bahr, geciteerd door Angelo Ara en Claudio Magris in hun boek over de Triëstijnse literatuur, vond Triëst zelfs helemaal geen stad: ‘Men heeft het gevoel hier helemaal nergens te zijn. Je krijgt het idee alsof men zich voortbeweegt in het wezenloze.’ Een begrip ‘literair Triëst’ had zonder James Joyce (die zich in 1905 in Triëst als leraar Engels vestigde) en de Triëstijnse meesters Italo Svevo en Umberto Saba niet bestaan, of slechts betekenis gehad als aspect van Italiaanse of Sloveense regionale literatuur. De ontmoeting tussen Joyce en zijn leerling Svevo behoort tot de gelukkigste toevalligheden van de twintigste-eeuwse literatuur. Het komt niet vaak voor dat de Engelse en de Italiaanse letteren zo ingrijpend kruisen. Maar Svevo, die Oostenrijkse, Italiaanse en joodse elementen in zich verenigde, was dan ook geen echte Italiaan, terwijl Joyce een Ier was. Beiden kwamen uit een gebied waar andere nationaliteiten dan waar ze zelf toe behoorden de dienst uitmaakten: Svevo uit Triëst, geregeerd door Oostenrijkers, Joyce uit Dublin, nog altijd in handen van de Engelsen. Beiden opereerden vanuit een perifere positie in hun taalgebied.
            Svevo en Saba hebben vrijwel hun hele leven in Triëst gewoond. Hun werk is ook doordrongen van de stad. Dat Triëst, met zijn dominante beursgebouw, allereerst een handelscentrum was, blijkt al uit de omstandigheid dat handel ook de achtergrond van Svevo’s en Saba’s bezigheden vormde. Svevo schreef stiekem op het kantoor van een fabriek die onderwaterverf voor schepen produceerde. Dat hij bij Joyce Engelse les nam, had niet met literatuur (waarin hij vooralsnog geen succes had) maar met zijn commerciële activiteiten te maken. Ook Saba was allereerst ondernemer, zij het boekhandelaar. Hij dichtte in het achterkamertje van zijn ‘Libreria Antiquaria’ in de Via S. Nicolò. Overigens hebben Saba en Joyce elkaar nooit ontmoet en kenden Saba en Svevo elkaar alleen van een paar ontmoetingen in een café niet lang voor de dood van Svevo in 1928. Van een levendige Triëstijnse literaire koffiehuiscultuur waar onze beroemdheden elkaar voortdurend tegen het lijf liepen, kan men zich dus beter geen voorstelling maken.
            Svevo’s en Saba’s schrijverijen komen over als haast clandestiene, anonieme werkzaamheden die los stonden van de werkelijkheid in de intens burgerlijke stad Triëst waarin geen sprekend literair leven bestond. ‘Triëst heeft geen culturele traditie’ meende in 1909 de Triëstijnse schrijver Scipio Slataper. Vóór Svevo had Triëst in ieder geval geen belangwekkende Italiaanse literatuur opgeleverd.
            Hoe onopvallend een nu wereldberoemd schrijver als Svevo in Triëst moet zijn geweest, blijkt wel uit zijn bibliografie: tot 1927, dus tot vlak voor zijn dood, vermeldt die maar zo’n twintig recensies van zijn werk die grotendeels in minder belangrijke bladen waren verschenen. Alleen het nageslacht kent Triëst als ‘stad van Svevo’: zijn toenmalige stadgenoten wisten er niet van. Erkenning als schrijver kreeg Svevo pas in Triëst en in Italië, nadat zijn op eigen kosten gedrukte roman De bekentenissen van Zeno (1923) een succes werd in Frankrijk.

Svevo en Saba beïnvloeden de huidige beeldvorming over hun stad, maar ook zonder literatuur heeft Triëst een markante positie op de landkaart. Van oudsher is de stad een grensstation tussen de Romaanse wereld en de Slavische landen en de Balkan. In de Habsburgse tijd sprak de stad een lokaal Italiaans dialect, het platteland eromheen een Sloveens dialect en de stedelijke bureaucratie Duits. De heterogeniteit van Triëst blijkt ook al uit de namen van de bekende Italiaans-Triëstijnse schrijvers: Italo Svevo heette Ettore Schmitz; de schrijversnamen Giani Stuparich en Scipio Slapater verraden een Slavische oorsprong; de dichter Virgilio Giotti heette eigenlijk Virgilio Schönbeck.
            Met de ondergang van de Habsburgse monarchie in 1918 verloor Triëst zijn betekenis als enige belangrijke zeehaven van een gigantisch rijk én als voorpost van Wenen (al zou het nog tot 1994 duren eer de Südbahn, de directe exprestrein uit Wenen, ophield te rijden). De Duitstalige bestuurslaag verdween toen de stad deel ging uitmaken van Italië. Hoewel de Sloveense minderheid zich handhaafde (vlak voor de Eerste Wereldoorlog woonden er in Triëst meer Slovenen dan in Ljubljana), kreeg de stad nog voor Mussolini aan de macht kwam een exclusief Italiaans en daarmee minder kosmopolitisch karakter. Zelfs in de tram kwam er een verbod om Sloveens te praten. Sloveense voornamen en familienamen werden geïtalianiseerd. Deze politiek speelde in heel Istrië. Het ‘multiculturele’ erfgoed van het Habsburgse rijk dat de taal van minderheden respecteerde, was hiermee in Triëst voorgoed verdwenen.
            Direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog vormde Triëst het middelpunt van een heftig territoriaal conflict. De strategisch gelegen stad kwam niet alleen knel te liggen tussen Italië en Joegoslavië, staten die beiden het eigendomsrecht over haar opeisten, maar ook tussen twee politieke machtsblokken, het kapitalistische Westen en de communistische wereld. Triëst, dat uiteindelijk in 1954 aan Italië werd toegewezen, groeide uit tot een symbool van de Koude Oorlog, ook al omdat Churchill de naam gebruikte in zijn speech waarin hij het begrip van een IJzeren Gordijn lanceerde. Dit zou zich uitstrekken ‘from Stettin to Trieste’. De rest van Istrië, het Hinterland van Triëst, kwam onder Joegoslavië, waardoor roemruchte steden als Pola, Rovigno en Capodistria nu op de kaart staan als Pula, Rovinj en Koper.
            Triëst maakt nog altijd de indruk van een soort enclave, een schiereiland, helemaal aan de rand van Italië, omgeven door het Karstgebergte, op een steenworp afstand van de Slavische wereld. De nabije grens met Joegoslavië is ondertussen de grens met een onafhankelijke republiek Slovenië geworden. In zekere zijn hebben de Slovenen in 1991 bereikt wat de Italianen van Triëst in 1918 bereikten: waar deze zich losmaakten van het Habsburgse rijk, ontworstelden de Slovenen zich aan Joegoslavië. Deze inmiddels weer verdwenen staat had zijn belangrijkste conflictstof, etnische en religieuze heterogeniteit, weer geërfd van het Habsburgse rijk. Uiteindelijk geeft die heterogene en ogenschijnlijk tolerante Habsburgse maatschappij die al lang geleden is ondergegaan nog altijd een soort identiteit aan Triëst, in ieder geval vanuit literair perspectief. Die wereld van voor 1918 is ook de niet weg te denken achtergrond van veel Triëstijnse literatuur. Inmiddels is die zo belangrijk geworden dat vanuit de verte het beeld van de stad ermee is vergroeid. Vermoedelijk was dit boek zonder Svevo, Saba en Joyce ook niet verschenen. Zo bewaart de literatuur steden, zelfs als steden aan die literatuur vreemd zijn geworden of nooit een atmosfeer hebben gekend die de literatuur ons laat inademen.

Jan Paul Hinrichs

LITERATUUR

Angelo Ara & Claudio Margris, Triest. Eine literarische Hauptstadt in Mitteleuropa, München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 2005.
Joseph Cary, A ghost in Trieste, Chicago: University of Chicago Press, 1993.
Jan Morris, Trieste and the meaning of nowhere, New York: Simon & Schuster, 2001.
August von Platen, Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken (vert. C.R. Vink; keuze en nawoord Jan Paul Hinrichs), Leiden: Plantage-Gerards & Schreurs, 1990.
Ilma Rakusa, Mehr Meer. Erinnerungspassagen, Graz: Droschl, 2009.

| Eerder gepubliceerd in Jan Paul Hinrichs & Thijs Wierema (red.), Ah Triëst... (Amsterdam: Bas Lubberhuizen 2de druk 2011), pp. 7-16. 


             

zondag 28 september 2014

Noam Chomsky: the fate of a manuscript

REGARDING THE LETTER FROM CHOMSKY
Frederick J. Newmeyer  discusses the fate of Noam Chomsky’s manuscript The logical structure of linguistic theory (1955) in his discussion note ‘Getting the word out: The early generativists’ multipronged efforts to diffuse their ideas’ (Language 90.1.241-68). He questions ‘why it was not published in 1955 or soon afterward. There are several reasons. The most direct reason is that it was rejected’ (p. 247). The manuscript was published only in 1975. Chomsky himself stated in the introduction to his book that the manuscript was rejected in the fifties by the MIT Press (see Newmeyer, p. 247). Newmeyer refers to Stephen Murray’s claims that two publishers had been interested in publishing the manuscript in 1957 and that there is a letter written by Chomsky that confirms this. This letter was allegedly written to Cornelis van Schooneveld (1921-2003), the editor of Mouton’s series Janua linguarum in which Chomsky’s Syntactic structures was published in 1957. Newmeyer remarks: ‘One wishes that Murray had scanned Chomsky’s aerogram into his article to settle the question once and for all. Unfortunately, he did not’ (p. 247).
This question can be settled since this letter is held at Leiden University Library. It was written by Chomsky on September 12, 1957. The complete letter is as follows: ‘Dear Cornelius, I was very pleased to hear that you would be interested in publishing my long manuscript. The situation with respect to it is as follows. I have a tentative agreement with North Holland to publish it, if it meets their length requirements (i.e., if it’s shortened sufficiently). I don’t feel quite ready to make a definite commitment myself as yet, since I am still not satisfied with the present form of the manuscript, and I feel that the exposition can be very much improved in many places. I hope to spend most of this year reworking it, and with luck, I may be finished in the spring. As I say, I don’t feel that I can say anything more definite until I am a little clearer as to the final form of the manuscript. Perhaps I may contact you then, if you will still be interested. Sorry I missed you when you were here. Thanks for sending the review. Sincerely, Noam ’ (Leiden University Library, Collection C.H. van Schooneveld, Inv. No. 1, file 617; this letter was partly published earlier in The C.H. van Schooneveld Collection in Leiden University Library. Editorial correspondence and documents relating to Mouton & Co., The Hague, and other papers in the fields of Slavistics and linguistics, by Jan Paul Hinrichs (Leiden: Leiden University Library, 2001), p. 9).
 It is unclear whether Chomsky actually submitted a manuscript to Van Schooneveld but it seems certain that Mouton was interested in publishing it, and that North-Holland was as well. The letter quoted above proves that Murray was right in questioning the claims that Chomsky made to him ‘that he had “never heard of the alleged offers to publish LSTL”’ (Newmeyer, p. 247).
Jan Paul Hinrichs

| Published earlier in Language 90 (2014), Number 3, p. 561. 

vrijdag 12 september 2014

Triëst: de zee als literaire ontdekking

DE ONTDEKKING VAN DE ZEE
VON PLATEN, GRILLPARZER EN STIFTER OP WEG NAAR TRIËST 

Eind maart 1876 komt een negentienjarige Weense student in de medicijnen, Sigmund Freud, naar Triëst. Het stipendium dat hij heeft gekregen, brengt enige weken onderzoek met zich mee in het zojuist in Triëst opgerichte ‘Zoologische Station’. Freuds observaties van de voortplantingsorganen van alen vinden hun weerslag in zijn artikel ‘Beobachtungen über Gestaltung und feineren Bau der als Hoden beschriebenen Lappenorgane des Aals’ dat het jaar daarop in een band van de Weense academie van wetenschappen verschijnt. De zee kende Freud van een reis naar Manchester in 1875 maar het is in Triëst dat hij voor het eerst kennis maakt met zuidelijke sferen.
            Gegevens over Freuds Triëstijnse verblijf staan in twee uitvoerige brieven die hij vanuit Triëst aan zijn jeugdvriend Eduard Silberstein schrijft. Op 5 april 1876 bekent hij Silberstein dat hij een persoon is ‘met de ongelukkige neiging alles gewoon te vinden en snel aan alles te wennen’. Hij weet dat hij zich aan ‘de kust van een der mooiste zeeën’ bevindt; tegelijkertijd laat dit hem ‘al op de tweede dag zo onverschillig, als was ik eigenlijk op een vissersboot geboren’.
            Een soortgelijke ervaring heeft de student Freud met vrouwen. Op 23 april schrijft hij Silberstein dat ‘op de eerste dag van mijn verblijf in Triëst het me voorkwam, dat louter Italiaanse godinnen Triëst bevolken, en ik werd er bang van, maar toen ik op de tweede dag vol verwachting de straat opging, kon ik er geen meer vinden en sindsdien behoort een mooie donna tot de zeldzaamste dingen die ik op straat zag.’ Het is amusant te lezen dat Freud in dezelfde brief hoog opgeeft van de vrouwen in het stadje Muggia, waarheen hij een excursie heeft gemaakt. Een terugkeer naar het stadje zou waarschijnlijk ook weer tot een teleurstelling hebben geleid.
            Freuds brieven uit Triëst wijzen in kort bestek op het gemak waarmee eerste indrukken verworpen kunnen worden. Ze herinneren ons eraan dat veel reisberichten gebaseerd zijn op indrukken van het eerste moment die later niet zijn herbeleefd.
            Triëst, sinds het begin van de achttiende eeuw belangrijk handelscentrum, was voor menig zakenman een doel op zichzelf. Toeristen, Bildungsreizigers en schrijvers deden de stad vooral aan als ze vanuit het Habsburgse land op weg waren naar Venetië, andere Italiaanse steden of de badplaatsen in Istrië. Een klassiek voorbeeld van een dergelijk reiziger is de schrijver Gustav von Aschenbach in Thomas Manns novelle Der Tod in Venedig (1911). Voor reizigers uit Midden-Europa betekende Triëst  nog meer dan de kennismaking met een onvermijdelijk tussenstation. Op weg naar Triëst, bij Opicina, werd iets gezien dat Freud snel verveelde maar in de oude tijd – brieven en dagboeken getuigen ervan – een welhaast mystieke aantrekkingskracht bezat: de zee.

De dichter August von Platen (1796-1835) is bijna achtentwintig jaar oud als hij eind augustus 1824 vanuit Erlangen via Nürnberg naar Salzburg reist. Op dat moment is hij enigermate bereisd: als jongeling heeft hij Zwitserland verkend, in Duitsland is hij tot aan Keulen gekomen en Frankrijk kent hij als deelnemer aan een veldtocht in 1815. Via Villach gaat Von Platens reis over huidig Sloveens en Italiaans grondgebied via Görz naar Triëst. Görz (nu Gorizia) is de eerste stad met een Italiaans karakter die hij ziet. Triëst bereikt hij op 5 september 1824, na een tocht vol verrassingen waarover hij de volgende dag in zijn dagboek noteert:

De weg hierheen is bezaaid met kleine plaatsjes, maar niettemin vreselijk, je reinste steenachtige Arabië. Tussendoor zijn van tijd tot tijd wijngaarden en moerbeiboomgaarden te zien. Overal in het rond massieve of merkwaardig gespleten brokken kalksteen, die soms tot muurtjes zijn gestapeld of tot steenhopen bijeengebracht. Reeds vóór Monfalcone is een smalle streep van de zee waar te nemen. In Monfalcone, waar wij even uitstapten, beklom ik de berg waarop de ruïnes van een eertijds hertogelijk slot staan, en aanschouwde in de verte de zee waar vanwege de hitte van de dag een lichte nevel overheen hing. Ook bij Duino ziet men eigenlijk meer kanalen en lagunes dan de open zee zelf; pas bij Opicina strekt die zich in haar volle kracht uit. Zo heb ik de zee voor het eerst gezien: doodstil en roerloos, door zelfs geen briesje bewogen. De avondzon wierp van achter een dunne wolk een stralend witte glans op het water. Daartoe daalde ik de steile berg af en liep de drukke straten van Triëst in. Als eerste viel de klederdracht van de boeren – het was juist zondag – op, die op het klimaat is afgestemd. Hun vilten hoed is voorzien van een brede rand, het jasje hangt met de mouwen over hun schouders en de korte broek slobbert losjes om hun knieën.[1]

De reis naar Triëst openbaart aan Von Platen de mediterrane wereld. Het Zuiden biedt hem zoveel vooroordelen boven de kleinburgerlijke Duitse provincie waar hij noch met zijn werk noch met zijn homoseksuele geaardheid gedijen kan, dat hij spoedig, vanaf 1826, permanent in Italië verblijft. Het is evenwel niet Venetië, waarheen hij op weg is en waar hij zijn beroemde sonnetten zou schrijven, maar Triëst en omgeving die hem de eerste schok der herkenning van een warmere, vrijere wereld geven. Dit blijkt uit het dagboekproza van Von Platen dat ineens verrassend spontaan en beeldend overkomt en gespeend is van de neerslachtige toon van de eenzame studentenkamer waarop de dichter ons in Duitsland trakteert.
            Op 27 augustus klaagde Von Platen in Salzburg, waar hij alleen met de politiecommissaris (die hem over zijn pas wilde spreken) en kelners had gepraat, nog over een ‘gevoel van eenzaamheid dat onbeschrijfelijk’ is. In Triëst heeft hij ook geen aanspraak maar vervelen doet hij zich niet. Triëst fascineert Von Platen schijnbaar als geen andere stad die hij voordien zag. Hij maakt er ook kennis met de zee en geeft ons een aardig beeld van Triëstijnse badcultuur dat duidelijk maakt dat onze ‘golfzwembaden’ ingenieuze voorlopers hebben:

Triëst overvalt en verdooft me te zeer dan dat ik er een volledig beeld van kan krijgen en mijn indrukken van de eerste avond ordenen en aan mijn geestesoog voorbij kan laten gaan. Ik nam mijn intrek in de ‘Locanda grande’ die aan de ene kant uitziet op de Piazza Grande, de markt, en aan de andere kant op de haven. Ik kreeg een mooie ruime kamer met uitzicht op zee en op de talloze masten van schepen die hier voor anker liggen. Als ik de deur van mijn kamer opendoe kan ik over een balkon heen op de piazza kijken. Eerst voelde ik een sterke behoefte om een bad te nemen en ik liet me de weg wijzen naar de ‘Soglio di Nettuno’, een heel mooi als badhuis ingericht schip dat door een loopbrug met de wal is verbonden. De badkuipen kunnen door middel van een lattenbodem in zee zakken, terwijl men met een handvat de diepte kan regelen, dus stijgen of dalen. Het water blijft steeds door de openingen van de balustrade binnen stromen en daardoor raakt men in een soort golvende beweging. Hier nu vond mijn eerste kennismaking met zeewater plaats. Het is zo doorzichtig als glas en onder water ziet het lichaam er uit als spierwit marmer. Na zo’n bad begint je huid enigszins te gloeien. De smaak komt vrijwel overeen met die van de zoutwaterbronnen in Hallein, denk ik. Na het bad ging ik naar het dek waar de gasten kunnen gaan zitten om wat te drinken. De maan stond al boven het paleis van Hieronymus Buonaparte en in het zuiden was het af en toe aan het weerlichten.

In maart 1819, enige jaren voor Von Platen, reist Franz Grillparzer (1791-1872), de hypochondrische Oostenrijkse dramaturg en beambte, naar Triëst. Het is twee jaar na de zelfmoord, door verdrinking in de Donau, van zijn zeventienjarige broer Adolf en twee maanden na de zelfmoord van zijn moeder die zich in haar kamer had opgehangen. Grillparzer hoopt zich op een reis door Italië van zijn depressie te bevrijden. Evenals Von Platen noteert hij zijn indrukken van de woeste weg door het Karstgebergte naar Triëst. Een dagboekaantekening van 28 maart 1819:

Toen eindelijk de lang verbeide morgen aanbrak hadden wij Planina, Adelsberg Prewald reeds achter ons gelaten en Sesana, de laatste pleisterplaats voor Triëst, lag voor ons. Nu de duisternis langzaam week en ik om mij heen kon kijken, kwam het mij voor alsof ik door een tovenaar in de nacht naar een ver verwijderd land was overgebracht. Voor ons lag een kaal, verlaten landschap, vrijwel zonder enige bebouwing; slechts hier en daar verspreid stonden enkele kastanjebomen, die uit de vorige herfst hun verdroogde bladeren – een droevig overschot – tot in de nu aangebroken lente hadden weten vast te houden, daartussen kromgegroeide moerbeibomen waaromheen zich wijnranken slingerden. De velden waren bezaaid met rotsblokken en gaven het geheel het aanzien van een stenen zee. Het was alsof God hier op deze plek had gestaan toen hij na de zondeval van de mensen zijn vloek over de aarde uitsprak.

De kennismaking met de zee beschrijft Grillparzer met meer enthousiasme dan Von Platen. Zijn verhouding tot dit nieuwe fenomeen heeft erotische kanten die zijn latere, in vraagstukken van seksuele verbeelding gespecialiseerde stadgenoot dr. Sigmund Freud interessant kon hebben gevonden:

Naarmate wij dichter bij Triëst kwamen, merkten wij steeds duidelijker hoe het klimaat veranderde: de gure, kille lucht werd milder, en alles scheen ons aan te kondigen dat wij de toegang tot Hesperia hadden bereikt. Een paar mensen van het platteland die wij onderweg tegenkwamen, met paard en wagen en met bizar bruine en rode kleren aan, stemden met dit alles volkomen overeen en daardoor waren onze verwachtingen, na 3 doorwaakte nachten en een reis van 80 mijl met de postkoets, zo hoog gespannen als maar enigszins mogelijk was. Eindelijk de dogana van Opicina – een heuvel! – Omhoog! – Ah! en daar lag zij dan voor ons, wijd en blauw en helder, en het was de zee. Ik sprong uit de koets en liep er zo snel naartoe dat mijn reisgenoot mij toeriep op te passen om niet naar beneden te storten. Een merkwaardige gewaarwording drong zich bij mij op. Voorheen was ik al uit de verhalen die mij waren verteld ervan overtuigd geraakt dat de aanblik van de zee mij bij lange na niet dat verheven gevoel zou schenken dat het in mijn fantasie had teweeggebracht en ik had derhalve het moment waarop ik haar in werkelijkheid zou aanschouwen eerder met vrees dan met vreugde tegemoet gezien. Ik vreesde namelijk een verheven schouwspel armer te worden en in ruil daarvoor een waarheidsgetrouwer beeld te krijgen – voor een dichter een twijfelachtig voordeel. En het voorgevoel van weleer werd inderdaad ten dele bewaarheid. Het visioen van de zee was in mijn fantasie stellig indrukwekkender en geweldiger geweest dan de werkelijkheid, maar toch was ik zo onder de indruk en geboeid dat ik mij er nauwelijks van kon losmaken: dat de zee zo mooi, zo onbeschrijfelijk mooi was, had ik mij namelijk niet voorgesteld. Zoals zij daar lag, een liefelijk tafereel dat het midden hield tussen een groene golvende weide en de stille blauwe hemel, zo weldadig voor het oog dat de taal geen woorden kent om dit te beschrijven, zo zachtaardig en mild dit weerbarstige, tomeloze element, als een geliefde, die nog tweemaal zo schoon is wanneer na een opwelling van woede en razernij haar toorn is geluwd en zij dan, tweemaal zo liefdevol, haar beminde teder en verzoenend in de armen neemt.- Zo had ik het mij nooit voorgesteld en daarom was ik uitermate verrast en geboeid. Eigenlijk biedt de zee bij Triëst niet eens een echt grootse aanblik. De onmetelijkheid waarmee voor het geestesoog het visioen van de zee gepaard gaat en deze tot het meest verheven tafereel maakt dat de zichtbare wereld bezit, verdwijnt hier volkomen, want aan 3 zijden zijn de oevers zichtbaar en aan de 4de, oeverloze, lijkt zich voor het oog ook uit wolken en nevels gemakkelijk een oever te vormen.
                Overigens biedt Triëst allerwegen, zowel vanaf het gebergte waaraan het ligt als vanuit zee gezien, een buitengewoon fraaie aanblik. De zee met al haar majestueuze pracht, de talloze scheepsmasten, de drommen mensen in allerlei kleding en met allerlei talen, alles is nieuw en fascinerend. En het is een uiterst vreemd gezicht als men op open plekken midden in de stad flinke zeeschepen ziet liggen die met hun masten ver boven de omringende huizen uitsteken.

Hoe overweldigend de indruk ook is die de zee bij Triëst op Grillparzer maakt, de verdere reis door Italië deprimeert hem voornamelijk. Reeds luttele dagen later noteert hij in Venetië, waar Von Platen schijnbaar de gelukkigste tijd van zijn leven doorbrengt, dat de eerste indruk van deze stad met haar ‘moerassige lagunen, deze stinkende kanalen, de smerigheid en het geschreeuw van dit onbeschaamde bedriegersvolk’ op hem ‘bevreemdend, benauwend, onaangenaam’ werkt. Ook in Rome komt hij niet tot opwekkende gedachten. Grillparzer, die ondanks het grote oeuvre dat hij op zijn naam brengt, veroordeeld blijft tot een levenslang Weens beambtenbestaan, is een zeldzaam voorbeeld van een Duitstalig schrijver voor wie de Italië-ervaring geen verrijking van het leven heeft betekend. 

Adalbert Stifter (1805-1868), Oostenrijks prozaschrijver en meester van de natuurschildering, bereikt in tegenstelling tot Grillparzer het eigenlijke Italië nooit. Het grootste deel van zijn leven brengt hij door in de Oostenrijkse provincie. Stifter, zoon van een linnenwever, voelt zich in de ‘grote wereld’ ook niet thuis. Zijn imago is dat van een gekwelde kleinburger, die in zijn leven achter een façade van Biedermeier-harmonie heel wat examenangst, liefdesverdriet, geldzorgen en onzekerheid heeft moeten verdragen. Hij is al ver over de vijftig, van beroep inspecteur bij het lager onderwijs, wanneer hij in juni 1857 voor het eerst in zijn leven een reis richting Italië maakt (tot dan toe is hij niet verder dan Zuid-Duitsland gekomen). In zijn gezelschap bevinden zich zijn echtgenote Amalie en zijn pleegdochter Juliana, die twee jaar later zelfmoord pleegt door in de Donau te springen.
            Op 28 juni 1857 doet Stifter vanuit Klagenfurt verslag van zijn zeeërvaringen in een brief aan Johann Ritter von Fritsch:

Gisteren zijn wij na een reis vanuit Triëst via Udine hier weer aangekomen. Ik heb nu de zee gezien. O, mijn vriend, wat zijn de Alpen en al die andere dingen bij ons, vergeleken met de grootsheid van de zee? Nu ik die gezien heb denk ik dat ik beslist niet meer verder had kunnen leven als ik haar niet had gezien. De bekoring en de grootsheid van dit fenomeen heeft op mij een indruk gemaakt die een keerpunt in mijn geestesleven teweegbrengt. Ik ben plotseling rijk geworden en vervuld geraakt  van een niet aflatend verlangen, de ‘eeuwige zee’ (zoals Homerus zegt) nooit meer geheel uit het oog te verliezen. Het is alsof mijn ziel is uitgedijd, ruimer is dan vroeger en alsof de oneindigheid buiten mij een gestadige stroom voedsel schenkt aan de oneindigheid binnen in mij. Veel daarover mondeling. In Opicina heb ik op een ochtend 2 uur op een heuvel gezeten. In Triëst heb ik vele uren aan het kijken naar de open, wijde zee besteed.

Een paar weken later, op 20 juli 1857, komt Stifter nogmaals over zijn ervaringen te spreken, dit keer in een brief aan Gustav Heckenast, zijn uitgever. Een beschrijving van een Triëstijnse nacht met storm en onweer is Stifter wel toevertrouwd:

Hoe groot is God, hoe wonderbaarlijk is Zijn wereld! Ik heb u mondeling zeer veel te zeggen; het papier is te klein voor welke mededeling dan ook. De volgende dagen heb ik, vlak aan het water staande, eveneens vele uren aan zee doorgebracht en ik kon er maar niet genoeg van krijgen, ernaar te kijken. Ik had nooit kunnen vermoeden dat de zee zo liefelijk kan zijn. Van dag tot dag, van uur tot uur was zij weer anders en steeds even behoorlijk. In vele kleuren, als bleek smaragd, als stralend azuurblauw of ultramarijn, ja als een pantser met louter zilveren schubben lag zij daar flonkerend voor mij, al naar gelang er een zonnestraal overheen gleed of dat zich een met wolken bedekte of stralend heldere hemel erboven welfde, al naar gelang des morgens de lucht er stil en intens blauw dan wel door de middaghitte bijna witgloeiend uitzag. Op de 21ste zag ik des namiddags in het westen een onweer uit zee opkomen. De wolken stonden er loodrecht boven, het leek een reusachtig meer en de wolken leken duizelingwekkend hoge bergen, hoog oprijzend aan zijn oever in de verte. Zoals ik dat ook onder andere omstandigheden had gedacht, vond ik toch ook ditmaal de zee op haar mooist. Ik vertoefde in het Hotel de la Ville, rechtstreeks tegen de rede gelegen. Tegen de 300 schepen lagen voor mij. Omstreeks 8 uur begon het te weerlichten, waarbij de bliksemschichten zo werden weerkaatst dat hemel en zee dikwijls een en al vuur lijken en de talloze schepen telkens een ogenblik in de leegte hingen. Intussen heerste een ademloze stilte. Om 11 uur kwam de storm, en het onweer hing boven onze hoofden. Helaas kon ik wegens de duisternis het schuimen van de zee niet zien, alleen maar horen. En zij hoorden wij ook het geroep van de scheepslieden in de touwen, bij tijd en wijle het luiden van de scheepsklokken, het geratel van kettingen van uitgeworpen noodankers en af en toe een kanonschot. Er schijnen 3 schepen van hun kettingen losgerukt maar door stoomschepen weer binnengesleept te zijn. Van ongelukken verder de zee op werd niets vernomen. De volgende dag was de zee onrustig. De fraaie, roodachtig schemerende rotsachtige kusten van Muggia, Capodistria, Pirano en daarachter het grijsgrauwe, eentonige Karstgebergte staken prachtig af tegen het donkerblauwe, uitgestrekte, golvende zeeoppervlak en de talrijke zeilen bewogen zich helder blinkend, vooral wanneer er af en toe een zonnestraal op viel, voort over hun donkere ondergrond. Vluchtige schaduwen van voorbijtrekkende wolken gleden over het tafereel. Tegen de namiddag werden lucht en water kalmer.

De zee zou Stifter niet meer terugzien. Hij komt op deze reis ook niet verder dan Triëst: van een bezoek aan Venetië, Florence en Rome moet hij uit geldgebrek afzien. Hij gelooft dat hij heel wat heeft gemist. In dezelfde brief schrijft hij Heckenast: ‘Goethe is pas door Italië een groot dichter geworden; ware ik 20, 25 jaar gelden voor de eerste maal en daarna nog meermalen in Italië geweest, dan was er ook van mij iets terechtgekomen. Als bedenkt wat er eigenlijk niet tot stand is gekomen, dan zou je hart bijna breken.’ Maar Stifters hart breekt ook al op het moment dat hij tot dit inzicht komt:

Ik ben door de zee en door de indrukken die ik van een onbekend volk heb opgedaan nog ééns zo rijk geworden als ik voordien was. Maar juist uit dit beginstadium is mij duidelijk geworden hoe arm ik nog ben. Vreemde landstreken en mensen verruimen de blik en maken dat de kunst grootser en universeler wordt. Zelfs van Der Nachsommer, hoe Duits deze ook is, had ik iets anders gemaakt wanneer ik hem na deze reis had geschreven. Ook mijn echtgenote zwelgde van verrukking, iets wat ik vroeger nooit bij haar had meegemaakt. Wij verlieten in de omgeving van Duino de zeekust en dat was dan ook welhaast een deprimerende ervaring, en het landschap van het Karstgebergte kwam ons voor als vloeipapier. En toch is dat gebergte in al zijn verlatenheid ook merkwaardig te aanschouwen, en telkens weer zie ik het voor mij.

Triëst, als poort naar de zee, heeft een plaats in de Duitse literatuur die meer dan anekdotisch is. Met de uitbouw van het Europese spoorwegennet, de val van het Habsburgse rijk en de opkomst van de luchtvaart is Triëst ondertussen economisch minder  belangrijk geworden. De lijnboten op Ancona, Igoumenitsa en Venetië varen nog steeds maar de rol die de stad als aankomst- en transithaven speelt is veel minder opvallend dan in de tijden van Winckelmann, Van Platen en Von Aschenbach. Ondertussen lijkt de zee al lang niet meer ‘doorzichtig als glas’ als bij Von Platen, het ‘verheven beeld’ of de ‘geliefde’ van Grillparzer, niet meer een louterende ervaring die het leven verandert en het verleden in een ander licht stelt als bij Stifter.
            Grillparzer, Von Platen en Stifter reisden per koets naar Triëst – de gauw verveelde Freud nam reeds de trein. De mogelijkheden om je snel over de aardbol te verplaatsen, zorgen er inmiddels voor dat voor een Europeaan niets meer ver is: de supermarkt-reiscultuur uit ons tijdperk van de chartervlucht brengt de toerist eerder aan de hete stranden van Thailand of voor de tempels van Mexico dan in het Karstgebergte boven Triëst. Eigenlijk is onze wereld de afgelopen eeuwen voortdurend gekrompen.

Jan Paul Hinrichs

geciteerde literatuur

Sigmund Freud, Jugendbriefe an Eduard Silberstein 1871-1881 (ed. Walter Boehlich), Frankfurt am Main 1989.
Grillparzers Werke (ed. August Sauer), Zweite Abt., vii, Wien 1914.
August von Platen, Memorandum van mijn leven. Uit de dagboeken (vert. C.R. Vink; keuze en nawoord van Jan Paul Hinrichs), Leiden 1990.
Die Tagebücher des Grafen August von Platen (ed. G. von Laubmann & L. von Scheffler), 2 dln., Stuttgart 1896-1900.
Adalbert Stifter, Sämtliche Werke (ed. Adalbert Horcicka & Gustav Wilhelm), xix, Prag 1923.




[1] De in dit artikel geciteerde fragmenten uit het werk van Von Platen, Grillparzer en Stifter zijn uit het Duits vertaald door C.R. Vink.

| Eerder verschenen in Jan Paul Hinrichs & Thijs Wierema (eds.), Ah Triëst... (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2de druk 2012), pp. 26-36. 
In Duitse versie verscheen dit stuk onder de titel 'Die Entdeckung des Meeres - Platen, Grillparzer und Stifter auf dem Wege nach Triest' in: Jattie Enklaar & Hans Ester (eds.), Geborgenheit und Gefährdung in der epischen und malerischen Welt Adalbert Stifters (Würzburg: Königshausen und Neumann, 2006), pp. 179-185 (Deutsche Chronik; 55).

woensdag 6 augustus 2014

Nicolaas van Wijk: Nieuwstraat 36 te koop

NIEUWSTRAAT 36, LEIDEN: HET HUIS VAN NICOLAAS VAN WIJK TE KOOP

Op 6 augustus 2014 verscheen op de makelaarssite Funda de advertentie waarmee Nieuwstraat 36 te Leiden, het oude huis van Nicolaas van Wijk, in de verkoop kwam. De verkoopprijs bedraagt € 1.700.000,-. Ook blijkt het pand te huur voor € 79.000,- per jaar. Het huis komt vaak voor in de berichten over Nicolaas van Wijk op deze blog. De opmerking in de advertentie dat volgens onbevestigde berichten prinses Juliana in de tuinkamer vioolles kreeg, lijkt ook aan deze blog ontleend. We citeren hier de volledige advertentietekst van De Leeuw Makelaardij b.v.:

TE KOOP EN TE HUUR

Algemeen: 
Een groene oase in de binnenstad!
Wat een verrassing, wat een sfeervol pand!

Te huur, aan de voet van de Hooglandse kerk en midden in het historische hart van Leiden, een karakteristiek historisch pand met diepe binnentuin en tuinkamer, oorspronkelijk gebouwd rond 1500 en nu een Rijksmonument in uitstekende staat. Bijzonder zijn de muurteksten in het pand.

Tussen 2010 en 2014 is het pand volledig aangepast aan de wensen van deze tijd (datalijnen in alle ruimten, airco) en met veel aandacht en liefde onder architectuur in oude glorie hersteld. Mede daardoor heeft het nog veel originele details, zoals: beschilderd houten plafond, binnenluiken, tuinkamer, originele schouwen, monumentale vloeren van marmer, hout en tegels. 
Het pand is geschikt als kantoor, woonhuis of een combinatie daarvan (bestemmingsplan GD: gemengde doeleinden).

Ligging en bereikbaarheid:
Het pand heeft uitzicht op andere historische panden, ligt naast veilinghuis Onder de Boompjes en te midden van gezellige winkels, restaurants en terrasjes. De zaterdagse markt en de grachten liggen om de hoek.
De Nieuwstraat is prima bereikbaar vanaf de A4 en de A44 en heeft (betaalde) parkeermogelijkheden voor de deur. Er zijn 2 parkeergarages binnen een straal van 500 m (jaarhuur mogelijk). Leiden CS ligt op circa 10 minuten loopafstand (een historische wandelroute is beschikbaar).

Indeling:
Het pand telt 3 verdiepingen en is verdeeld over een voor- en een achterhuis. Dat maakt het verrassend en speels. De totale oppervlakte bedraagt ca 460 m² en de inhoud bedraagt ca.1.485 m³

Begane grond: 
Hardstenen stoep met bijbehorende paaltjes, fraai entree naar hal met marmeren vloer, garderobe, toilet met wasbekken, bergruimte en doorkijk/toegang naar 40 m diepe binnentuin. Links en rechts hoge kamers met parket, marmeren schouw, beschilderd houten plafond, binnenluiken en fraaie raampartijen.
Achterkamer met uitzicht op het terras en de tuin, historische wandkasten, marmeren schouw en parketvloer. Monumentale keuken met veel bergruimte, deur naar de tuin, tegelvloer. Quooker, vaatwasser en heteluchtoven.
Lange gang naar de hoge, halfronde muziekkamer met bijzondere akoestiek, fraaie schouw, monumentale vloer, wandkasten en openslaande deuren naar de tuin.
Fraai en licht trappenhuis (met gangkast) naar overloop en bijzondere, ruime toiletruimte met wastafel.

1e verdieping:
2 Grote, hoge en ruime zonnige kamers met uitzicht op de karakteristieke leilindes en historische panden. 2 Achterkamers met uitzicht op de tuin.
Trappartij met gangkast naar 2e verdieping.

2e verdieping:
Overloop met hoge dakspanten, pantry (incl. vaatwasser en Quooker), 5 kamers met balkenplafonds.

Tuin:
De lommerrijke, zonnige en goed onderhouden stadstuin heeft een terras, gazon, bloemenperken en diverse zitmogelijkheden. De fraaie bomen, de gestucte wanden en het uitzicht op de Hooglandse kerk geven de tuin haar bijzondere charme.

Status: Rijksmonument
Monumentnummer 25240
Beschrijving: Pand met bakstenen gevel met rechte kroonlijst, deuromlijsting en bovenlicht. Hardstenen stoep met palen.

Opleveringsniveau:
Het geheel wordt compleet en verzorgd opgeleverd. Zowel het exterieur als het interieur spreken absoluut tot de verbeelding. Aanwezig zijn: 
• Cv-installatie
• Dubbele beglazing (deels monumentenglas)
• Airco
• Alarminstallatie
• Data bekabeling
• Inbouwkeukenapparatuur en Quookers

Het pand wordt wekelijks onderhouden door een tuinman en een interieurverzorgster. Voortzetting van hun betrokkenheid is wenselijk.

Koopprijs:
De vraagprijs voor het geheel bedraagt € 1.700.000,= kosten koper.

Zekerheidstelling:
Een bankgarantie c.q. waarborgsom ter waarde van 10 % van de koopsom. 

Koopovereenkomst
Het koopcontract zal vervaardigd worden op basis van het standaard model Raad van Onroerende zaken (ROZ), zoals gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).

Huurprijs 
De huurprijs bedraagt € 79.000,= per jaar exclusief BTW, gas, water en elektriciteit. Betaling per maand vooruit.

Huurtermijn
Het pand is per 1 juli 2014 beschikbaar en wordt verhuurd voor 5 jaar met verlenging voor dezelfde huurtermijn. Overleg is mogelijk.

Zekerheidstelling
Een bankgarantie c.q. waarborgsom ter waarde van 3 maanden huur inclusief BTW. 

Huurovereenkomst
Het huurcontract is overeenkomstig met het standaard model Raad van Onroerende zaken (ROZ), zoals gehanteerd door de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).
Huurprijsindexering
De indexering geschiedt jaarlijks (voor het eerst één jaar na huuringangsdatum) aan de hand van het consumentenprijsindexcijfer (CPI Alle Huishoudens) zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Historie
Bijzonder is dat het huidige pand en de huidige tuin al in 1500 op tekeningen terug te vinden is. Een vorige bewoner heeft van het pand een uitgebreide beschrijving geschreven, met daarbij oude foto’s. Een bouwhistorisch onderzoek bracht vele verrassende details aan het licht. 
Voor de toekomstige huurders, is een kopie van beide documenten natuurlijk voorhanden.
Tot in de twintigste eeuw werd het pand bewoond door de eigenaren van de naastgelegen distilleerderij “Onder de Boompjes’ (nu veilinghuis). De Tuinkamer met z’n prachtige akoestiek werd rond 1850 aangebouwd voor een muzikale zoon, de latere dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Volgens niet bevestigende bronnen kreeg prinses Juliana er vioolles. Nog worden er regelmatig zondagmiddagconcerten gegeven.
De stadstuin is een oase van rust. Het is, samen met het fraai beschilderde houten plafond in de voorkamer en de bijzondere sfeer die in het pand hangt, een grote verrassing voor onder meer de talrijke bezoekers van de Monumentendagen, waarvoor het pand regelmatig haar deuren opent.


| Klik op het label hieronder voor meer blogberichten over Nicolaas van Wijk. 

zondag 3 augustus 2014

Schoon & haaks [afl. 2]

SCHOON & HAAKS [AFL. 2]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 een rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privé-drukkers en marginale uitgevers bespreek. In de tweede aflevering staan recensies van de volgende boeken:


  • Geerten Meijsing, Boedelbeschrijving. Haarlem: De Vrienden van de Vorm, 2013 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
  • Yves Bonnefoy, Zomerregen. Vertaling Kiki Coumans. Bleiswijk: Studio 3005, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
  • Paul Celan, Jaap Geraedts, Keinerlei “Silberstreifen” am Horizont. Der Briefwechsel des Dichters mit dem Komponisten (ed. Paul Sars). Zürich-Münster: LIT Verlag, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
  • C.O. Jellema, In beelden aanwezig. Over poëzie. Houwerzijl: Uitgeverij Vliedorp, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
  • Leopold Andrian, Zeven gedichten. Vertaling C.O. Jellema. Woubrugge: Avalon Pers, 2013 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015].
  • Huyck van Leeuwen, Verwaaide notities. Terhorst: Ser J.L. Prop, 2014 [recensie opnieuw gepubliceerd in een blogbericht van 24 april 2015]
| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks, De Parelduiker 19 (2014), nr. 3, pp. 68-72.

dinsdag 10 juni 2014

Anna Prismanova: Preface

PREFACE

During the academic year 1986-1987 I gave a course on Russian émigré literature at Leiden University. Most of the students had not read any of the work by the authors who were then discussed; even their names and the titles of their work were unfamiliar. In the course of that same academic year the position of Russian émigré literature changed dramatically. As a result of the liberalization of the cultural climate in the Soviet Union, the work of many émigré authors—strictly banned until 1986—could now for the first time be (legally) printed and distributed, attracting attention on a scale hitherto thought impossible. Understandably, the reading public in the emigration had necessarily always been very limited.
What seemed unthinkable only a few years ago has by now become almost standard procedure and has gained such a dazzling pace that it has become difficult for us in the West to keep up with. Soviet literary journals now devote much of their space to reprinting the work of émigré authors and publications in book form—with work of, among others, Remizov, Chodasevič, Georgi Ivanov, Aldanov, and Nabokov, —have also seen the light. But in spite of all this, the work of many émigré writers is still not available to the public, neither in Soviet nor in Western editions. A n d among this group are truly important authors.
In 1987 Petra Couvée, the editor of the present book, wrote her Master’s thesis on the poet Anna Prismanova (1892-1960), wife of the poet Aleksandr Ginger (1897-1965). Her research work brought her into contact with Anna Prismanova's son, Basile Ginger, who still lives in Paris. Thanks also to information provided by Mr Ginger during conversations and in letters, she was able to reconstruct for the first time a reliable biographical picture of Anna Prismanova. Apart from being an attempt at reconstructing the life of Anna Prismanova, Petra Couvée’s thesis also tried to get to the heart of Prismanova's hermetic poetry.
The present text edition of Prismanovas work has grown out of this thesis. It brings together all of Prismanova’s known work: the poems from the four collections published during Prismanovas lifetime as well as uncollected poems from a number of periodicals and a short story. Also included are two short stories which were published in French under the name Anne Ginger. The text is preceded by an introduction, in which practically all secondary literature on Prismanova has been in­corporated.
To date no substantial publication of Prismanovas work, or about Prismanova, has come my way, neither from the Soviet Union nor from the West. Hence the necessity of this edition, which for the first time makes available the complete oeuvre of a little known but very original poet. The need is even more evident when one realizes that the four col­lections of poetry, published over the years 1937-1960, have for a long time been out of print and in second-hand shops too they are almost impossible to find. That Anna Prismanova is not well-known as a poet has its cause not only in the poor availability of her work—only few libraries have all four Prismanovas collections of verse—but is also due to the fact that during her life she occupied an isolated position in the Russian literary monde of Paris, which caused very few people to refer to her. This is true both for works of literary criticism and for memoirs. Prismanova completely missed the spectacular life of a Marina Cvetaeva, which certainly contributed to her enormous posthumous fame, while in a sense Cvetaeva stood just as isolated in the Parisian literary world.
Prismanovas poetry, with its strong voice and sometimes grotesque imagery which is not always easily grasped, is far removed from the sim­ple, subdued and pessimistic tone of the poets belonging to the “Parisian Note, such as G. Adamovič, A. Štejger, and L. Červinskaja. Prismanova also worked independently from great Parisian poets such as V. Chodasevič, and G. Ivanov. She was virtually immune to outside influences. Rejecting compromise, either with herself or her readers, she opened up her own poetic universe, which makes her one of the most interesting poets in the emigration.
Jurij Ivask has given a striking account of the position of  Anna Prismanova and her husband Aleksandr Ginger:
Русский Монпарнас в Париже относился к Александру Гингеру и Анне Присмановой благодушно, но все же их не принимал всерьез. Но в их па­ тетике, смешанной с комизмом, во всех их нелепицах куда больше поэзии, чем во многих оченьсредних”, дюжинных стихах поэтов, писавших не­ плохо, но очень уж аккуратно-меланхолично, как того требовала Парижская нота.
Pochvala Rossijskoj Poezii”, Novyj Žurnal 162 (1986), 116.
When Prismanova died in 1960 literary émigré life, even in Paris, had virtually bled to death. Western students of Slavic literature showed little interest, while in the Soviet Union the emigrants were simply ignored. In those days even the most brilliant poet wrote for a handful of acquaintances only. With regard to this Basile Ginger wrote on December 1989, in a letter to the editor of the present collection: “Cependant, j’ai entendu un jour ma mère dire, dans ses dernières années, que ça ne l’interessait plus d’écrire en russe à Paris pour un petit cercle et qu’elle aimerait bien être lue en Russie.”
Over the years this atmosphere of emptiness and indifference has vanished to be replaced with a more receptive climate which permits a serious reception of the work of Anna Prismanova. I hope this edition will make its contribution, toward a better availability and appreciation of Prismanova’s oeuvre, both in and outside the Soviet Union.
Leiden, March 1990 
Jan Paul Hinrichs
| Eerder gepubliceerd in Anna Prismanova, Собрание сочинений, ed. Petra Couvée (The Hague: Leuxenhoff Publishing, 1990), pp. vii-ix