zaterdag 22 april 2017

William Blake: Verzen van Onschuld en van Ervaring (Recensie)

WILLIAM BLAKE VERTAALD

Uitgeverij De Wilde Tomaat van Joan Ter Maten stort zich op buitenlandse dichters uit het verre verleden. Na Andrew Marvell en Louise Labé (zie De Parelduiker 2015/5 en 2016/1) is nu de beurt aan de veel beroemdere William Blake (1757-1827) die men eigenlijk in een klassiekenreeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep had verwacht. In deze uitgave van de Songs of Innocence and of Experience zijn de vertalingen geplaatst tegenover kleurenkopieën van de originele geïllustreerde platen van Blake. Dit is ook nadrukkelijk de bedoeling: de gedichten waren door Blake in handschrift meegeëtst met begeleidende illustraties. Pas na zijn dood verscheen deze poëzie in boekdruk. Nederlandse Blake-vertalingen zijn er weinig. Het bleef bij mijn weten bij twee versies van Het huwelijk van hemel en hel (verschenen in 1949 en 2001). De vijfenveertig Verzen van Onschuld en van Ervaring verschijnen hier voor het eerst compleet in vertaling. Cornelis W. Schoneveld (1935), die ook Marvell vertaalde, handhaaft Blakes wisselende versificatie. Het resultaat is een prachtig boekje, met bedrieglijk eenvoudige poëzie over het Paradijs en de Zondeval, vol blije baby’s, verdwaalde en teruggevonden knaapjes, trouwe schaapherders, huilende moeders en tegenstribbelende schooljongens: ‘Maar naar school te gaan op een zomerdag / O, ’t verhindert alle pret; / Ontdaan door ’t oog van wreed gezag, / Zijn de kleintjes aan ’t werk gezet, / Met tegenzin besmet.’

William Blake, Verzen van Onschuld en van Ervaring die de tegenovergestelde toestanden van de menselijke ziel laten zien. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 115 p. € 20,00  (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, p. 67.

Geerten Meijsing: Brieven aan Nanne Tepper (Recensie)

MEIJSING SCHRIJFT TEPPER
 
Vlak na de jaarwisseling creëerden de boekenbijlagen een hype rond het brievenboek De kunst is mijn slagveld van Nanne Tepper (1962-2012). Drukke correspondentie had deze met zijn oudere collega Geerten Meijsing (1950). Een stevige positie in het marginale circuit ziet Meijsing nu bekroond met Brieven aan Nanne Tepper: een in heellinnen (halfperkament voor de verzamelaars) gebonden deel waar menig bestsellerauteur jaloers op zal zijn. Uitgever Jaap Schipper van de Statenhofpers besteedde bij een omvang van ruim 350 bladzijden de productie uit. Jack van der Weide bezorgde de brieven met een inleiding, uitvoerige aantekeningen en persoonsregister. De uitgave beslaat de jaren 1995-2000 (met één incidentele brief uit 2011). Meijsing is dan nog auteur van uitgeverij de Arbeiderspers en kijkt neer op ‘zo’n shittig zogenaamd bibliofiel reeksje’ waarvan hij het tegenwoordig wel moet hebben. Openhartig deelt hij Tepper in zijn werkplannen, depressies, psychiatrische opnames, drankgebruik enz. Hij is teruggekeerd uit Italië maar wil in Amsterdam eigenlijk niet zijn: ‘Je hebt er geen idee van hoe groot mijn afkeer en walging zijn van de schrijverswereld en de Ned. lit.’ We horen van alles over zijn sigaren, drankmerken en een peperduur sjaaltje uit Lucca. Zijn obsessie voor dure dingen krijgt iets D’Annunzio-achtigs. Het is geen wonder dat deze Italiaan die van zijn leven een kunstwerk maakte (‘wat mij in het geheel niet lukt, hoor’) voortdurend opduikt. Uit het hart komt Meijsings liefdesverklaring aan de Citroën DS, zijn symbool van vrijheid en gelukzalige onthechting: ‘mijn slakkenhuisje, mijn rugzakje, mijn mogelijkheid om te vluchten en terug te komen – nooit ben ik zo gelukkig als wanneer ik, liefst in mijn eentje, in de nacht, door West-Europa rijd.’ Gedachtewisseling laat zich dit briefcontact nauwelijks noemen. Beleefdheidshalve reageert Meijsing, vaak aan het slot van een brief, wel op Teppers uitlatingen maar meestal nogal oppervlakkig. De adressant doet er uiteindelijk niet toe: overduidelijk schrijft Meijsing alleen aan zichzelf. In ontmoetingen lijkt hij niet bijzonder geïnteresseerd. Plannen daarvoor blijven vaak bij dagdromen: ‘De Camargue is echt iets voor jou. Misschien kunnen we daar samen een restaurant beginnen’.
     Erotische ontboezemingen slokken voorspelbaar veel ruimte op. Een verhalende sfeer krijgen de brieven als ongeveer halverwege Layla ten tonele verschijnt: een 18-jarige callgirl die Meijsing via een escortbureau laat opdraven en vervolgens bij hem intrekt. Hier ligt dan niet voor niets de geboorte van een roman, Dood meisje  (2000). Dat brengt ons tevens tot de kern van deze brieven: het lijken pepmiddelen voor eigen werk, zo ook voor de roman Tussen mes en keel (1997). Liefhebbers van deze boeken krijgen een massa verhelderend materiaal. Nooit verwijst Meijsing naar de politiek of wat in de wereld gebeurt. Kranten leest hij niet. De actualiteit blijft beperkt tot voor buitenstaanders niet bijster relevante ontwikkelingen binnen de Arbeiderspers (Sontrop, Dietz, Fagel). Ondertussen moet Meijsing de vernedering ondergaan dat de in Noord-Europese literatuur gespecialiseerde Italiaanse uitgeverij Hyperborea wel ‘de grootste non-schrijver’ Eric de Kuyper en Nooteboom (‘reputatie kreeg die man plotseling cadeau’) uitgeeft maar hem, onze man in Italië, niet. Lobbyen leidt tot niets, ook niet als hij eigenhandig zijn roman Erwin in het Engels vertaalt. Meijsing komt tot een soort zelfinzicht: ‘misschien is de voorwaarde voor geluk wel om de literatuur helemaal vaarwel te zeggen.’ Literatuur dwingt Meijsing tot een niet te winnen strijd om geld: ‘Spaarzaam leven kan ik niet. Altijd met de verkeerde mensen omgegaan, die gewoon geld van hun eigen hadden.’ Maar of een smak geld - zeg van de P.C. Hooftprijs die inmiddels aan flink wat auteurs met minder talent is vergeven - hem duurzaam had geholpen? Dit boek gaat juist over het onvermogen een burgerbestaan te leiden, regie in handen te houden en over de hellevaart die aan een roman voorafgaat. Niet alles hadden we hoeven weten maar de brieven bieden een exclusieve blik in een literaire werkplaats, vol overmoed en evenzeer met messcherpe portretkunst: ‘Ik voel mij echt zo’n zichzelf overleefd hebbende variétéartiest, morsig, aan de drank, die rondreist met een buiksprekerspop.’ Overigens noemt hij, niet gecharmeerd van ‘tijdschriftjes’ (‘Ze willen allemaal iets van je’), ons blad ‘Het Parelhoen, o.i.d.’ Onderhoudend blijft Meijsing wel.

Geerten Meijsing, Brieven aan Nanne Tepper. Den Haag: Statenhofpers, 2015. 357 pp. 125 + 20 ex. € 95 / halfperkament met schuifhoes € 325 (Frederik Hendriklaan 6, 2582 BB Den Haag duodecim@telfort.nl).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 65-67.

C.O. Jellema: Mijn beste lezer (Recensie)

BRIEVEN VAN C.O. JELLEMA
 
Deze rubriek wees al eerder op de bijzondere positie van Groninger dichter en essayist C.O. ‘Cor’ Jellema (1936-2003) in het marginale circuit. Dankzij de inspanningen van literair erfgenaam Gerben Wynia kreeg deze niet zo lang geleden overleden auteur een indrukwekkend aantal postuum verschenen titels op zijn naam. Nu verschijnt bij uitgeverij Flanor, drijvende uitgeefkracht achter de Jellema-revival, Mijn beste lezer: brieven van Jellema aan zijn broer Anne Otto ‘Annot’ Jellema (1938-2002) die arts was in Tanzania en Deventer. Oud zouden de broers niet worden en Cor lijkt dat in 1999 te beseffen: ‘Ik 62, jij bijna 61. Er doemt iets op aan de horizon: eindigheid.’ De uitstekend geannoteerde brieven missen de dramatiek en bekentenissfeer van de grote brievenuitgave Selbstfindung (zie De Parelduiker 2015/1): daarvoor kennen de broers elkaar ook te goed. Maar op getemperde toon openbaart zich de binnenwereld van een niet bijster opgewekte, weifelende auteur die ogenschijnlijk ver van het Westen opereert. Als Jellema vanuit de luwte van de Provinz-Intelligenz op het Boekenbal verzeilt, is hij verbaasd daar mensen te kennen. Hij heeft het gevoel dat hij niet echt leeft, dat ‘alles voorbereiding voor straks’ is. En of dat straks ooit is gekomen? Een universitaire aanstelling als germanist zorgt voor levenslange onbedreigde welvaart die misschien ook versuft. Cor wisselt wel van partner, verhuist en laat zijn zwaktes uitkomen, vooral zijn verslavende afhankelijkheid voor signalen uit de buitenwereld: ‘Als ik dépri ben, ben ik het besef van eigenwaarde volledig kwijt: ik ben niemand, waardeloos, dan wil ik geknuffeld worden, geaaid of: gevraagd voor een radio-interview, voor een TV-optreden: dan ben ik iemand. Ik ben daar afhankelijk van en dat is niet goed’. Maar de paradox regeert: Jellema geneert zich dan weer als mensen hem op zijn gedichten aanspreken. Ook had hij ‘vanaf de eerste handdruk een vreselijke hekel’ aan Adriaan van Dis die hem misschien zo’n TV-optreden had kunnen bezorgen. Aangrijpend is de brief over een vriend die hij vlak voor zijn euthanasie sprak: ‘eigenlijk is dat toch een afscheidsgesprek als voor een terechtstelling, iemand net zo oud als ik’. Uit Jellema’s dagboek citeert Wynia’s inleiding soortgelijke regels na zijn aanwezigheid bij de euthanasie van Annot, zijn ‘beste lezer’ die hij maar kort zou overleven.

C.O. Jellema, Mijn beste lezer. Brieven aan mijn broer. Nijmegen: Flanor, 2015. 62 pp. € 17,50 (Beijensstraat 30 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@flanor.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 64-65.

Lo van Driel: Jan H. Eekhout (Recensie)

'HET GEVAL JAN H. EEKHOUT'
 
Wie herinnert zich een dichter, romanschrijver en vertaler Jan H. Eekhout (1900-1978)? Is hij ooit in brede kring bekend geweest? Komrij en Warren nemen in hun vlak na zijn dood verschenen bloemlezingen geen gedicht van hem op. Sinds 1970 is geen boek van hem uitgegeven of herdrukt. Het is verrassend dat een uitgesproken marginale figuur een dikke biografie krijgt. De aanleiding lijkt vooral zijn ‘geval’, niet zijn werk. Lo van Driel (1944) tekent in Een plooibaar talent het portret van een kameleon die met ijzingwekkend gemak wisselt van literair genre, uitgever, vrouw, huis en overtuiging. De lezer vraagt zich voortdurend af: zal Eekhout het weer doen? En ja hoor, Eekhout doet het weer. Het begint allemaal in Sluis maar van zijn schoolopleiding, mogelijk twee jaar ULO, blijkt even weinig terug te vinden als van nummers van de Sluische Courant waaraan hij meewerkt. Minieme kennis van schooltalen, laat staan van exotische talen, weerhoudt de kruidenierszoon niet van bewerkingen van Chinese poëzie, de Kalevala, het Gilgamesj-epos en kwatrijnen in de trant van Omar Khayyám. Hij publiceert, vooral in protestants-christelijke hoek, de ene dichtbundel na de andere. Voor een beetje comfort heeft Eekhout wat over. Via een huwelijk in 1931, waarbij bruid en dichteres Elisabeth Reitsma van te voren absolute kuisheid had bedongen, komt hij als onbemiddelde op de zolder van een Gronings patriciërspand terecht. Met de deels geplagieerde Zeeuws-Vlaamse streekromans Pastoor Poncke en Warden, een koning wordt Eekhout even bestsellerauteur. In de oorlog wijkt Eekhout met de huishoudster uit naar Leeuwarden. Inmiddels is hij NSB-bard, feliciteert Mussert met zijn verjaardag, noemt Mein Kampf een ‘prachtig boek’, vlucht rond Dolle Dinsdag  naar Duitsland en publiceert nog in maart 1945 een sonnet in Storm SS. Na de oorlog volgen interneringskampen en publicatieverbod. Al gauw zendt Eekhout eigen beheer-dichtbundeltjes met bedelbrieven rond. Schuldbewust is hij nooit: hij ziet zichzelf, als dromer met ‘verkeerd gericht idealisme’, als slachtoffer. De ‘barmhartige’ Anton van Duinkerken doet een goed woordje voor hem. Als tegenprestatie schermt Eekhout met een overgang naar het roomse geloof. Streekromans zijn passé en Eekhout stort zich op het detectivegenre. Uiteindelijk schrijft hij nog moderne poëzie à la Lucebert. Maar Van Driel adviseert ons niet het allemaal te gaan lezen.
         De levenslange aartsprovinciaal brengt via een vierde en vijfde huwelijk de jaren 1961-1978 door in Amsterdam. Welke letterkundigen groeten hem, welke cafés kan hij beter ontlopen? Of kent niemand hem en doet hij er gewoon niet toe? Dat is niet helemaal duidelijk in dit sober geschreven, rijk gedocumenteerde en geïllustreerde boek. Eigenlijk gaat het hier om een oud conflict dat zich in ‘het geval-Eekhout’ tot in het absurde heeft ontwikkeld: tussen ambitie en afwezigheid van persoonlijke stijl. Aartsvijand Marsman zag het scherp in 1939: ‘Maar de wil om dichter te zijn is bij hem nu eenmaal veel grooter dan het talent’.  Ab Visser stelde: collaboratie kwam door zijn minderwaardigheidscomplex en gevoel van miskenning. Maar niet iedereen in die positie collaboreerde. Van Driel doet er verstandig aan geen definitieve verklaringen te geven en biedt en passant een levendig beeld van een provinciaal echelon van de literatuur: het verzuilde Nederland van Anton van Duinkerken, de christelijke uitgeverij Callenbach en allerlei plaatselijke blaadjes waarbij een figuur als Eekhout zich prima kon verstoppen. Ook Eekhouts Zeeuwse kameraden Leo van Breen, Piet Meertens, Jo van Ham – pion van NSB-cultuurpaus Tobie Goedewaagen - en de even kameleontische Aleid Wensink komen goed uit de verf. De lezer raakt doodop van Eekhout maar zijn unieke ‘geval’ heeft een fascinerend verhaal opgeleverd. Zijn lichaam liet hij na aan de wetenschap.

Lo van Driel, Jan H. Eekhout. Een plooibaar talent. Aardenburg: Drukkerij Durenkamp, 2015. 351 p. € 22,95 (Weststraat 73 5427 BS Aardenburg info@durenkamp.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 63-64.

zaterdag 8 april 2017

Interview met Oegstgeester Courant, 15 maart 2017

‘DE POËZIE VAN EEN ENCLAVE’

Zie voor een interview onder deze titel door Willemien Timmers, verschenen in de Oegstgeester Courant (17 maart 2017, p. 1), de webversie van de krant. Het interview vond plaats naar aanleiding van het verschijnen van het boekje De poëzie van een enclave.



Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave.
Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
 isbn 978 90 824288 6 5.
Verkrijgbaar bij de boekhandel.
www.dewildetomaat.nl




donderdag 9 maart 2017

De poëzie van een enclave (verschenen)

DE POËZIE VAN EEN ENCLAVE



Vandaag verscheen bij uitgeverij De Wilde Tomaat in Amsterdam: De poëzie van een enclave, een boekje over een dorp, Oegstgeest, als literair thema. 



Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave.
Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
 isbn 978 90 824288 6 5.
Verkrijgbaar bij de boekhandel.
www.dewildetomaat.nl


[Tekst van de uitgeverij op de achterflap:]


In De poëzie van een enclave gaat Jan Paul Hinrichs op zoek naar sporen van zijn woonplaats Oegstgeest in de Nederlandse letteren. Jan Wolkers en F.B. Hotz zetten in hun welbekende romans en verhalen de toon, maar kasteel oud-Poelgeest, het Groene Kerkje, de psychiatrische inrichtingen Endegeest en Rhijngeest, het Zendingshuis en andere plekken komen in het leven en werk van nog veel meer schrijvers en dichters voor. Het gaat om J. van Oudshoorn, Nescio, Gerrit Achterberg, Hella Haasse, Jan Arends, W.F. Hermans, J.M.A, Biesheuvel, Frédéric Bastet, Maarten 't Hart en talrijke andere auteurs die voorheen niet eerder met het dorp in verband zijn gebracht. Het resultaat is een verrassend, vernieuwd beeld van de literair wellicht meest tot de verbeelding sprekende vierkante kilometer van ons land.


***
Trefwoorden: Jan Wolkers Terug naar Oegstgeest F.B. Hotz Geversstraat Albert Verwey De Olmen J. van Oudshoorn De Beukenhof Nescio Het Groene Kerkje Huizinga Muus Jacobse Klaas Heeroma Pieter Langendijk Jelgersmakliniek Gerrit Achterberg Jan Vermeulen Jan Arends Endegeest J.M.A. Biesheuvel A. Moonen Johann Wilhelm Schotman Luc Tournier M. Vasalis Willem Brakman Frank Koenegracht Johan Brouwer Oud-Poelgeest Augusta Peaux Herman Boerhaave Lloyd Haft Frédéric Bastet Willem Frederik Hermans Bergman E. du Perron Hella H. Haasse Redbad Fokkema Villa Eben-Haëzer J.B. Charles Kees Fens Maarten ‘t Hart Zendingshuis Rhijngeest
**

Enkele foto's die stonden bij een, nu verwijderde, blogversie van dit boekje
  
Oegstgeest, het bos van Endegeest, 14 juni 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Oegstgeest, rechts het Land van Bremmer, 15 november 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs

       
Het witte huis van de grootouders van
F.B. Hotz, Geversstraat 26, Oegstgeest,
29 september 2012.

Foto © Jan Paul Hinrichs
      
Geversstraat 26, Oegstgeest
29 september 2012.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Oegstgeest, villa Eben-Haëzer,
15 november 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs



Society-gebeuren voor de ingang van De Beukenhof,
met medewerking van het tijdschrift Quote,
30 juni 2014. In november 2014 ging De Beukenhof
failliet. In april 2016 kwam er een herstart
als Villa Beukenhof.


Foto © Jascha Hinrichs
Kasteel Endegeest,
Oegstgeest, 14 november 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs




De plataan in het Oranjepark, Oegstgeest, 1 juni 2013.

Foto / Copyright © Jascha Hinrichs

Deutzstraat, Oegstgeest, links het inmiddels
gesloopte garagebedrijf van Van den Ameele, 
2 juni 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs


Garagebedrijf Van den Ameele is bijna
gesloopt, Oegstgeest, 11 juni 2013.
Rechts café De Gouwe.

Foto © Jan Paul Hinrichs


In het geboortehuis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest, 29 september 2012.
[Zie het bericht van 9 juni 2013 voor meer foto's van dit huis.]

Foto © Jan Paul Hinrichs

            
Uitzicht uit het geboortehuis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest, 29 september 2012.
[Zie het bericht van 9 juni 2013 voor meer foto's van dit huis.]

Foto © Jan Paul Hinrichs
Uitzicht uit het geboortehuis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest, 29 september 2012.
[Zie het bericht van 9 juni 2013 voor meer foto's van dit huis.]

Foto © Jan Paul Hinrichs



woensdag 8 maart 2017

Don-Aminado: Ook valsemunters hebben hun kosten (verschenen)

DON-AMINADO: OOK VALSEMUNTERS HEBBEN HUN KOSTEN

Vandaag verscheen bij uitgeverij Fragment in Leiden een vertaling van tweeënnegentig aforismen van Don-Aminado, pseudoniem van de Joods-Russische schrijver Aminad Petrovitsj Sjpoljanski (1888-1957). Hij werkte als advocaat en satirisch schrijver in Moskou en week na de revolutie uit naar Parijs.
Zijn aforismen, gedichten en feuilletons, die vooral  in kranten verschenen, genoten onder Russische emigranten een grote bekendheid. Na zijn dood was het decennia stil rond Don-Aminado. Rond de eeuwwisseling volgde een herontdekking van zijn werk in Rusland: talrijke heruitgaven verschenen. Zijn aforismen doen vaak algemeen menselijk aan, maar herkenbaar blijven de specifieke omstandigheden van het emigrantenbestaan die eraan ten grondslag liggen. Daarin ligt ook de originaliteit van dit werk, dat zich met al zijn sarcastische humor, gecomprimeerdheid en scherpzinnigheid met het beste in het aforistische genre kan meten.

Don-Aminado, Ook valsemunters hebben hun kosten. Uit het Russisch vertaald en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. Leiden: Fragment, 2017. 18 p. Oplage: 50 genummerde exemplaren. 

Zie verder de website van Uitgeverij Fragment.

dinsdag 14 februari 2017

Schoon & haaks [afl. 14]

SCHOON & HAAKS [AFL. 14]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de veertiende aflevering (2017, nr. 1) staan recensies van de volgende boeken:
  • Emmanuel Waegemans, Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling 1985-2015. Antwerpen: Benerus, 2016.
  • Joeri Olesja, Verhalen. Vert. Gerard van der Wardt. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016.
  • Frans Erens, De heiligen en hun verering. Landgraaf: Os Moddersproak, 2016.
  • Frans Erens, En FranceDe Limburgse Tachtiger in de voetsporen van Taine. Landgraaf: Os Moddersproak, 2016.
  • J.M.A. Biesheuvel, Zwanezang. Woubrugge: Avalon Pers; 2016.
  • J.M.A. Biesheuvel, John P. en ik. Woubrugge: Avalon Pers, 2016

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 22 (2017), nr. 1, pp. 65-69.



dinsdag 17 januari 2017

F. Roosdorp: Kinderen (Recensie)

F. ROOSDORP EINDELIJK HERDRUKT
 
Frits Roosdorp (1874-1898), pseudoniem van Frederik Schröder, stierf luttele weken na de publicatie van zijn enige boek, Kinderen. Jean Frins bezorgt nu de eerste herdruk, met de inleiding die Van Deyssel schreef voor een uitgave die in 1942 niet doorging bij uitgeverij Oceanus. Amsterdammer Roosdorp was een protegé van Frans Erens die Kinderen  beschouwde als een ‘goed, een zeer goed boek. Over zijn onderwerp het beste in onze literatuur.’ Dit kleinood had inderdaad al lang een klassieker kunnen zijn: beelden uit de alledaagse onbevangen kinderwereld, van gewone kinderen uit ‘lage huisjes van de nauwe straat’. Roosdorp maakt het leven heel teer, soms haast te pijnlijk om te lezen: hoe kleine Lien voor de spiegel staat,  hoe Miepie een pop aankleedt, kinderen bij een dood zusje staan, een meisje in een weeshuis afscheid van grootmoeder neemt: ‘De dorre, dikke deur werd toegebeukt, het slot doorknapte droog en hard de koude luidloosheid der gangen. […] Ze hield haar tranen koen en krachtig binnen, ze wou, ze wou niet huilen gaan….’

F. Roosdorp, Kinderen. Landgraaf: Stichting Os Moddersproak, 2015. 49 p. € 10 (Brikkebekker 10 6372 DP Landgraaf fanmoddersproak@yahoo.com).
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 1, pp. 66-67.

Louise Labé: Sonnetten (Recensie)

SONNETTEN VAN LOUISE LABÉ
 
Heeft de Franse dichteres Louise Labé (ca. 1524-1566), bijgenaamd ‘La Belle Cordière’ (‘de mooie touwslagersvrouw’), bestaan? Het lijkt ook haast te mooi: de schijnbaar beeldschone dochter en vrouw van een touwslager die Latijn en Italiaans leerde en in Lyon een literaire salon hield. In 2006 baarde Mireille Huchon opzien met haar boek Louise Labé: une créature de papier waarin ze de stelling verdedigt dat achter Labé zich een aantal mannelijke dichters uit Lyon verbergt. Velen blijven het oneens met haar maar de theorie duikt wel steeds op. Helaas staat hier geen woord over in het nawoord van Piet Thomas (1929) bij zijn vertaling van Labé’s Sonnetten, evenmin als over de juist zo interessante receptiegeschiedenis. Zo is Labé vertaald door Rainer Maria Rilke (die zelf ook door Thomas is vertaald, zie Het Getijdenboek, Ten Have, 2004). Ten onzent vertaalde  P.C. Boutens de sonnetten van Labé in een uitvoerig door P.N. van Eyck en Nijhoff besproken Stols-uitgave (1924), waarin hij melding maakt van een ‘schemeratmosfeer van overmatigen lof en laaghartigen laster’ rond de dichteres. Calvijn hield haar voor ‘een gemene hoer’. Op Boutens volgden andere Nederlandse vertalingen. Rudolf Escher zette Labé op muziek. Onlangs verscheen nog bibliofiel Sonnetten (Editie in de Roozetak, 2012), waarin vertalingen van Rilke en Paul Claes naast elkaar staan. Verder kunnen we alleen maar verheugd zijn over dit tweetalige boekje waarmee Joan Ter Maten met zijn uitgeverij De Wilde Tomaat een smaakvolle uitgavenreeks voortzet (zie De Parelduiker 2015/5). Thomas biedt gedegen vertalingen van alle vierentwintig sonnetten van Labé: hartstochtelijke, trotse, dwingend overkomende liefdeslyriek. Labé, vaak geportretteerd als feministe avant la lettre, blijft immer strijdbaar, als een Jeanne d’Arc van de liefde: ‘Hoe sterker Amor in de aanval gaat, / Hoe meer hij krachten schenkt en weerbaarheid: / Hij geeft ons frisse moed voor elke strijd.’

Louise Labé, Sonnetten. Vert. Piet Thomas. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2015. 70 p. € 12,50  (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schhon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 1, p. 66.

M.C. Escher en Samuel Jessurun de Mesquita (Recensie)

M.C. ESCHER EN SAMUEL JESSURUN DE MESQUITA
De Avalon Pers van Jan Keijser geeft al decennia Nederlandse auteurs bibliofiel uit: bekende en onbekende namen. Geerten Meijsing is regelmatig van de partij, net als J.M.A. Biesheuvel van wie nu Lieve Suus, beste Maarten uitkomt, een rede voor intimi bij de kiellegging van de Lemmer aak Maarten B. op 19 mei 1989. Ook grafische kunst heeft een nisje in het omvangrijke fonds, waarvan je nog altijd uitgaven tegenkomt die in geen Nederlandse bibliotheek aanwezig zijn. Willem Keizer documenteert in Eschers redding de rol van graficus M.C. Escher (1898-1972) bij de  redding van de prenten van zijn in Auschwitz vermoorde leermeester Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944). Op de Haarlemse School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten was De Mesquita van 1920 tot 1922 Eschers leraar grafische vakken. Tot 1944 bleef hij hem opzoeken in zijn huis in de Watergraafsmeer. Keizer publiceert de uitvoerige brief van Escher aan graficus J.M. Prange waarin hij vlak na de bevrijding verslag doet van zijn bezoeken. De laatste keer zag hij De Mesquita in januari 1944. Zijn zoon Jaap was ‘toen nog steeds hoopvol gestemd omtrent hun lot als Portugeesche joden’. Vier weken later vond Escher ‘het huis verlaten, de voordeur open, de ramen ingeslagen’. Hij klom naar het atelier: ‘honderden grafische prenten lagen over de vloer, gescheurd en vertrapt ten dele. In 5 minuten tijd raapte ik (mijn hart bonsde in mijn keel) bijeen wat ik kon.’ Escher was net op tijd want de volgende dag werd het appartement onder Duitse leiding leeggehaald. Keizer gaat ervan uit dat Escher bij zijn reddingsactie ‘zeer selectief te werk ging’, zich richtte op het meest waardevolle en wel langer dan vijf minuten bezig moet zijn geweest. Zo valt het op dat alle 136 geredde prenten gesigneerd zijn. Toen een selectie in 1946 in het Stedelijk Museum werd tentoongesteld, liet Escher zijn eigen rol bij de redding van het oeuvre onvermeld. Een De Mesquita-prent met de afdruk van een Duitse soldatenlaars hing hij wel in zijn atelier. Ook Eschers brief aan Willem Sandberg is afgedrukt waarin hij in de tijd van de geldzuivering om een onderhoud verzoekt over de tentoonstelling: ‘Liefst vóór 2 October, dan kan ik eenige oude guldens nog voor een treinkaartje benutten.’ Het resultaat is een indrukwekkend oorlogsdocument waarin geen woord te veel staat.

Willem Keizer, Eschers redding van Samuel Jessurun de Mesquitas prentenschat. 2015. 19 p. € 25 | J.M.A. Biesheuvel, Lieve Suus, beste Maarten. 2015. 5 p. 90 ex. € 15. Uitgaven van de Avalon Pers (Leidse Slootweg 4, 2481 KH Woubrugge avalonpers@hetnet.nl).
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 1, pp. 64-66.

Rudi van der Paardt: essays (Recensie)

ESSAYS VAN RUDI VAN DER PAARDT
 
Classicus Rudi van der Paardt (1943) richt zich graag op de wisselwerking tussen klassieke en Nederlandse literatuur. In zijn essaybundel Over de veelzijdigheid van L.Th. Lehmann en andere Nederlandse auteurs, een semi-eigen beheer uitgave van de Gooibergpers,  vinden we dit perspectief terug in een essay over Plinius de Jongere en De Komedianten van Louis Couperus. Maar verder is het spectrum breder. Auteurs van eigen voorkeur staan centraal: Ida Gerhardt, L.Th. Lehmann, A. Alberts, S. Vestdijk, F.B. Hotz, Cees Nooteboom en Doeschka Meijsing. C. Buddingh’ is ook aanwezig. Voor velen zal ‘Bijzonder aardig, prima, prima’ (1978), de vernietigende recensie van W.F. Hermans van zijn dagboeken, de deur dicht hebben gedaan. Nu lezen we dat de kritiek Buddingh’ ook zelf kapot maakte. Rudi van der Paardt toont zich een academische leraar in de beste zin van het woord: intensief bronnenonderzoek, ook blijkend uit literatuurverwijzingen, gaat hier aan het doen van uitspraken vooraf. Die houding zie je terug in zijn reactie, vol onverholen ergernis, op een uitgave van de briefwisseling Vestdijk-Henriëtte van Eyk (2007), waarin bezorger Wim Hazeu ‘volkomen het spoor bijster’ is. Hoogtepunt in de bundel is een lange en diepgaande beschouwing over de cyclus ‘Schlüszli’ van Ida Gerhardt: sprankelende korte gedichten rond een Zwitsers bergdorp (‘Aanvankelijk vierden Ida en Marie hun vakantie vooral in Warffum omdat daar geen toeristen kwamen’). Alle stukken zijn eerder gepubliceerd en bijgewerkt. Zo’n bundeling heeft zin, vooral door stukken over auteurs die je zelf niet gauw meer zult lezen en zo toch weer een plaats krijgen. Nu ken ook ik het ludieke gedicht ‘Pluk de dag’ over een potje Marmite dat Buddingh’ in 1966 ‘onder ongekende lachsalvo’s’ in Carré voordroeg. Het was geruststellend te lezen dat Hermans’ slachtoffer ook dit soort tijden heeft gekend.

Rudi van der Paardt, Over de veelzijdigheid van L.Th. Lehmann en andere Nederlandse auteurs. Bussum: Gooibergpers, 2015. 119 p. € 15 (te bestellen via de auteur r.vdpaardt@planet.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 1, p. 64.

C.C. Uhlenbeck op de prairie (Recensie)

C.C. UHLENBECK OP DE PRAIRIE
 
Op 18-jarige leeftijd, vlak na zijn eindexamen, debuteerde in 1885 de Haarlemse gymnasiast C.C. Uhlenbeck (1866-1951) met de even romantische als sombere dichtbundel Gedachten en droomen. Dit antiquarisch onvindbare boek vormde tegelijkertijd zijn laatste dichterlijke optreden. Wel komen we dichter Uhlenbeck versluierd nog tegen in De Gids als vertaler van Beowulf en Russische en Litouwse liederen. Na zijn Leidse promotie, leraarschappen, archiefonderzoek in Rusland en een redacteurschap op het Woordenboek der Nederlandse Taal kreeg hij leerstoelen Sanskriet in Amsterdam (1892) en Germaanse talen in Leiden (1899). Uhlenbeck maakte naam met studies over on-Germaanse zaken als Baskisch en indianentalen. Zijn literaire vorming bleef zichtbaar in zijn wetenschappelijke stijl en brieven: precies en scherp. Zijn bibliografie omvat bijna vijfhonderd publicaties (zie de Canadese bundel C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited, 2009). Uhlenbeck, zelf kinderloos, schreef ook over genealogische onderwerpen: hij was heftig in zijn Duits-Indische afkomst geïnteresseerd. In Leiden liep een dubbelganger rond, Dr. J.H. Vernout, die net als hij stamde van in de achttiende eeuw op Ceylon woonachtige Europeanen (zie http://janpaulhinrichs.blogspot.nl/2013/07/dubbelgangers-cc-uhlenbeck-en-jh.html).
      Als taalkundige heeft Uhlenbeck nog altijd een enorme reputatie. Hetzelfde geldt voor leerlingen als de slavist Nicolaas van Wijk en de antropoloog Jan de Josselin de Jong. Ook was diplomaat, sinoloog en detectiveschrijver Robert van Gulik zijn leerling, al als scholier: ze publiceerden zelfs gezamenlijk over indianentalen. Oog voor kwaliteit had hij wel, maar zijn neiging leerlingen letterlijk of figuurlijk te willen adopteren zorgde voor tragiek in zijn leven. Hij bleef een geheimzinnige persoonlijkheid die jaren door depressies niet kon werken. Ruim voor zijn pensioen liet hij zich afkeuren waarna hij Leiden spoorslags verliet. De laatste vijftien jaar van zijn leven woonde hij op pension in Zwitserland.
       Uhlenbecks taalkundige werk heeft vaak letterkundige wortels. Zijn interesse voor de Amerikaanse indianentalen volgde op zijn fascinatie voor Longfellows dichtwerk over indianen. Uiteindelijk voegde Uhlenbeck de daad bij het woord en vertrok naar Montana om veldwerk te doen. Het dagboek dat zijn vrouw Willy Uhlenbeck-Melchior (1862-1954) van de reis uit 1911 bijhield, verscheen in 2005 in het Engels en nu in origineel. Tegen betaling onderwijzen indianen Uhlenbeck hun Blackfoot-dialect en vertellen verhalen. De  indianen krijgen onophoudelijk snoepgoed en tabak van Willy: ‘te zuinig willen wij ons niet voordoen’.  Gedurende drie maanden leven ze in een tent en kampen met regen, kou en wind. De indianen verven het Leidse echtpaar bij een beverdans. Uhlenbeck heet nu Omaxkskitsanik, ‘Grote Stier’. De Uhlenbecks lijden als stadsmensen  onder niet nagekomen afspraken en ‘het onberekenbare van ons prairieleven. Je tent is vol bezoekers, je verheugt je over hun tegenwoordigheid en weg zijn alle indianen weer’. Maar stil was het zelden: ‘’s Nachts hoor ik nogal eens een paard om & nabij onze tent & af & toe knaagt ’t een of andere knaagdier bij onze koffers aan leege suikerpapiertjes of wat hij vinden kan.’ De doortastende Willy zet thee, breit en haakt, sjouwt stenen aan om het tentzeil steviger te maken en fotografeert. Maar ze komt de tijd vooral door met dagboek schrijven. Als de Uhlenbecks alleen zijn, lijkt het echtpaar ook echt alleen. Afstand tot de indianen blijft: op de begrafenis van de dochter van de gastheer zijn ze niet welkom.
      Bezorgster Mary Eggermont-Molenaar, die het dagboek in een museum in Calgary vond, heeft een prachtige prestatie geleverd. En passant leveren haar inleiding en commentaar bouwstenen voor een gewenste biografie van Uhlenbeck. Bewondering verdient Willy Uhlenbeck voor haar onder extreme omstandigheden ontstane dagboek. Iets anders van haar kennen we niet. Literaire vaardigheid blijkt op allerlei plaatsen, zoals bij natuurschilderingen en uit de slotscène wanneer de trein aankomt naar de ‘beschaafde’ wereld waar de Uhlenbecks zich ook niet helemaal thuis voelen. Het is of de overgang te groot is: ‘Het helle licht komt plotseling snel nader; de trein stopt; de neger staat klaar met zijn trapje; wij stappen in, en opeens zijn wij in den Pullman Car. Er is geen wind om mij heen, ook geen regen; maar ook onze indianen zijn er niet meer… Het prairieleven behoort tot het verleden.’ Aantekeningen – die hij jaren later deels met Van Gulik uitwerkte - reisden mee maar Uhlenbecks poging een indianenjongen te adopteren mislukte.

Mary Eggermont-Molenaar (ed.), Bij de Blackfeet in Montana in 1911. Dagboek van Willy Uhlenbeck-Melchior. Leiden: Ginkgo, 2015. 282 p. € 25 (Koppenhinksteeg 6, 2312 HX Leiden uitgeverijginkgo@xs4all.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 1, pp. 62-63.