zaterdag 22 april 2017

William Blake: Verzen van Onschuld en van Ervaring (Recensie)

WILLIAM BLAKE VERTAALD

Uitgeverij De Wilde Tomaat van Joan Ter Maten stort zich op buitenlandse dichters uit het verre verleden. Na Andrew Marvell en Louise Labé (zie De Parelduiker 2015/5 en 2016/1) is nu de beurt aan de veel beroemdere William Blake (1757-1827) die men eigenlijk in een klassiekenreeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep had verwacht. In deze uitgave van de Songs of Innocence and of Experience zijn de vertalingen geplaatst tegenover kleurenkopieën van de originele geïllustreerde platen van Blake. Dit is ook nadrukkelijk de bedoeling: de gedichten waren door Blake in handschrift meegeëtst met begeleidende illustraties. Pas na zijn dood verscheen deze poëzie in boekdruk. Nederlandse Blake-vertalingen zijn er weinig. Het bleef bij mijn weten bij twee versies van Het huwelijk van hemel en hel (verschenen in 1949 en 2001). De vijfenveertig Verzen van Onschuld en van Ervaring verschijnen hier voor het eerst compleet in vertaling. Cornelis W. Schoneveld (1935), die ook Marvell vertaalde, handhaaft Blakes wisselende versificatie. Het resultaat is een prachtig boekje, met bedrieglijk eenvoudige poëzie over het Paradijs en de Zondeval, vol blije baby’s, verdwaalde en teruggevonden knaapjes, trouwe schaapherders, huilende moeders en tegenstribbelende schooljongens: ‘Maar naar school te gaan op een zomerdag / O, ’t verhindert alle pret; / Ontdaan door ’t oog van wreed gezag, / Zijn de kleintjes aan ’t werk gezet, / Met tegenzin besmet.’

William Blake, Verzen van Onschuld en van Ervaring die de tegenovergestelde toestanden van de menselijke ziel laten zien. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 115 p. € 20,00  (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, p. 67.

Geerten Meijsing: Brieven aan Nanne Tepper (Recensie)

MEIJSING SCHRIJFT TEPPER
 
Vlak na de jaarwisseling creëerden de boekenbijlagen een hype rond het brievenboek De kunst is mijn slagveld van Nanne Tepper (1962-2012). Drukke correspondentie had deze met zijn oudere collega Geerten Meijsing (1950). Een stevige positie in het marginale circuit ziet Meijsing nu bekroond met Brieven aan Nanne Tepper: een in heellinnen (halfperkament voor de verzamelaars) gebonden deel waar menig bestsellerauteur jaloers op zal zijn. Uitgever Jaap Schipper van de Statenhofpers besteedde bij een omvang van ruim 350 bladzijden de productie uit. Jack van der Weide bezorgde de brieven met een inleiding, uitvoerige aantekeningen en persoonsregister. De uitgave beslaat de jaren 1995-2000 (met één incidentele brief uit 2011). Meijsing is dan nog auteur van uitgeverij de Arbeiderspers en kijkt neer op ‘zo’n shittig zogenaamd bibliofiel reeksje’ waarvan hij het tegenwoordig wel moet hebben. Openhartig deelt hij Tepper in zijn werkplannen, depressies, psychiatrische opnames, drankgebruik enz. Hij is teruggekeerd uit Italië maar wil in Amsterdam eigenlijk niet zijn: ‘Je hebt er geen idee van hoe groot mijn afkeer en walging zijn van de schrijverswereld en de Ned. lit.’ We horen van alles over zijn sigaren, drankmerken en een peperduur sjaaltje uit Lucca. Zijn obsessie voor dure dingen krijgt iets D’Annunzio-achtigs. Het is geen wonder dat deze Italiaan die van zijn leven een kunstwerk maakte (‘wat mij in het geheel niet lukt, hoor’) voortdurend opduikt. Uit het hart komt Meijsings liefdesverklaring aan de Citroën DS, zijn symbool van vrijheid en gelukzalige onthechting: ‘mijn slakkenhuisje, mijn rugzakje, mijn mogelijkheid om te vluchten en terug te komen – nooit ben ik zo gelukkig als wanneer ik, liefst in mijn eentje, in de nacht, door West-Europa rijd.’ Gedachtewisseling laat zich dit briefcontact nauwelijks noemen. Beleefdheidshalve reageert Meijsing, vaak aan het slot van een brief, wel op Teppers uitlatingen maar meestal nogal oppervlakkig. De adressant doet er uiteindelijk niet toe: overduidelijk schrijft Meijsing alleen aan zichzelf. In ontmoetingen lijkt hij niet bijzonder geïnteresseerd. Plannen daarvoor blijven vaak bij dagdromen: ‘De Camargue is echt iets voor jou. Misschien kunnen we daar samen een restaurant beginnen’.
     Erotische ontboezemingen slokken voorspelbaar veel ruimte op. Een verhalende sfeer krijgen de brieven als ongeveer halverwege Layla ten tonele verschijnt: een 18-jarige callgirl die Meijsing via een escortbureau laat opdraven en vervolgens bij hem intrekt. Hier ligt dan niet voor niets de geboorte van een roman, Dood meisje  (2000). Dat brengt ons tevens tot de kern van deze brieven: het lijken pepmiddelen voor eigen werk, zo ook voor de roman Tussen mes en keel (1997). Liefhebbers van deze boeken krijgen een massa verhelderend materiaal. Nooit verwijst Meijsing naar de politiek of wat in de wereld gebeurt. Kranten leest hij niet. De actualiteit blijft beperkt tot voor buitenstaanders niet bijster relevante ontwikkelingen binnen de Arbeiderspers (Sontrop, Dietz, Fagel). Ondertussen moet Meijsing de vernedering ondergaan dat de in Noord-Europese literatuur gespecialiseerde Italiaanse uitgeverij Hyperborea wel ‘de grootste non-schrijver’ Eric de Kuyper en Nooteboom (‘reputatie kreeg die man plotseling cadeau’) uitgeeft maar hem, onze man in Italië, niet. Lobbyen leidt tot niets, ook niet als hij eigenhandig zijn roman Erwin in het Engels vertaalt. Meijsing komt tot een soort zelfinzicht: ‘misschien is de voorwaarde voor geluk wel om de literatuur helemaal vaarwel te zeggen.’ Literatuur dwingt Meijsing tot een niet te winnen strijd om geld: ‘Spaarzaam leven kan ik niet. Altijd met de verkeerde mensen omgegaan, die gewoon geld van hun eigen hadden.’ Maar of een smak geld - zeg van de P.C. Hooftprijs die inmiddels aan flink wat auteurs met minder talent is vergeven - hem duurzaam had geholpen? Dit boek gaat juist over het onvermogen een burgerbestaan te leiden, regie in handen te houden en over de hellevaart die aan een roman voorafgaat. Niet alles hadden we hoeven weten maar de brieven bieden een exclusieve blik in een literaire werkplaats, vol overmoed en evenzeer met messcherpe portretkunst: ‘Ik voel mij echt zo’n zichzelf overleefd hebbende variétéartiest, morsig, aan de drank, die rondreist met een buiksprekerspop.’ Overigens noemt hij, niet gecharmeerd van ‘tijdschriftjes’ (‘Ze willen allemaal iets van je’), ons blad ‘Het Parelhoen, o.i.d.’ Onderhoudend blijft Meijsing wel.

Geerten Meijsing, Brieven aan Nanne Tepper. Den Haag: Statenhofpers, 2015. 357 pp. 125 + 20 ex. € 95 / halfperkament met schuifhoes € 325 (Frederik Hendriklaan 6, 2582 BB Den Haag duodecim@telfort.nl).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 65-67.

C.O. Jellema: Mijn beste lezer (Recensie)

BRIEVEN VAN C.O. JELLEMA
 
Deze rubriek wees al eerder op de bijzondere positie van Groninger dichter en essayist C.O. ‘Cor’ Jellema (1936-2003) in het marginale circuit. Dankzij de inspanningen van literair erfgenaam Gerben Wynia kreeg deze niet zo lang geleden overleden auteur een indrukwekkend aantal postuum verschenen titels op zijn naam. Nu verschijnt bij uitgeverij Flanor, drijvende uitgeefkracht achter de Jellema-revival, Mijn beste lezer: brieven van Jellema aan zijn broer Anne Otto ‘Annot’ Jellema (1938-2002) die arts was in Tanzania en Deventer. Oud zouden de broers niet worden en Cor lijkt dat in 1999 te beseffen: ‘Ik 62, jij bijna 61. Er doemt iets op aan de horizon: eindigheid.’ De uitstekend geannoteerde brieven missen de dramatiek en bekentenissfeer van de grote brievenuitgave Selbstfindung (zie De Parelduiker 2015/1): daarvoor kennen de broers elkaar ook te goed. Maar op getemperde toon openbaart zich de binnenwereld van een niet bijster opgewekte, weifelende auteur die ogenschijnlijk ver van het Westen opereert. Als Jellema vanuit de luwte van de Provinz-Intelligenz op het Boekenbal verzeilt, is hij verbaasd daar mensen te kennen. Hij heeft het gevoel dat hij niet echt leeft, dat ‘alles voorbereiding voor straks’ is. En of dat straks ooit is gekomen? Een universitaire aanstelling als germanist zorgt voor levenslange onbedreigde welvaart die misschien ook versuft. Cor wisselt wel van partner, verhuist en laat zijn zwaktes uitkomen, vooral zijn verslavende afhankelijkheid voor signalen uit de buitenwereld: ‘Als ik dépri ben, ben ik het besef van eigenwaarde volledig kwijt: ik ben niemand, waardeloos, dan wil ik geknuffeld worden, geaaid of: gevraagd voor een radio-interview, voor een TV-optreden: dan ben ik iemand. Ik ben daar afhankelijk van en dat is niet goed’. Maar de paradox regeert: Jellema geneert zich dan weer als mensen hem op zijn gedichten aanspreken. Ook had hij ‘vanaf de eerste handdruk een vreselijke hekel’ aan Adriaan van Dis die hem misschien zo’n TV-optreden had kunnen bezorgen. Aangrijpend is de brief over een vriend die hij vlak voor zijn euthanasie sprak: ‘eigenlijk is dat toch een afscheidsgesprek als voor een terechtstelling, iemand net zo oud als ik’. Uit Jellema’s dagboek citeert Wynia’s inleiding soortgelijke regels na zijn aanwezigheid bij de euthanasie van Annot, zijn ‘beste lezer’ die hij maar kort zou overleven.

C.O. Jellema, Mijn beste lezer. Brieven aan mijn broer. Nijmegen: Flanor, 2015. 62 pp. € 17,50 (Beijensstraat 30 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@flanor.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 64-65.

Lo van Driel: Jan H. Eekhout (Recensie)

'HET GEVAL JAN H. EEKHOUT'
 
Wie herinnert zich een dichter, romanschrijver en vertaler Jan H. Eekhout (1900-1978)? Is hij ooit in brede kring bekend geweest? Komrij en Warren nemen in hun vlak na zijn dood verschenen bloemlezingen geen gedicht van hem op. Sinds 1970 is geen boek van hem uitgegeven of herdrukt. Het is verrassend dat een uitgesproken marginale figuur een dikke biografie krijgt. De aanleiding lijkt vooral zijn ‘geval’, niet zijn werk. Lo van Driel (1944) tekent in Een plooibaar talent het portret van een kameleon die met ijzingwekkend gemak wisselt van literair genre, uitgever, vrouw, huis en overtuiging. De lezer vraagt zich voortdurend af: zal Eekhout het weer doen? En ja hoor, Eekhout doet het weer. Het begint allemaal in Sluis maar van zijn schoolopleiding, mogelijk twee jaar ULO, blijkt even weinig terug te vinden als van nummers van de Sluische Courant waaraan hij meewerkt. Minieme kennis van schooltalen, laat staan van exotische talen, weerhoudt de kruidenierszoon niet van bewerkingen van Chinese poëzie, de Kalevala, het Gilgamesj-epos en kwatrijnen in de trant van Omar Khayyám. Hij publiceert, vooral in protestants-christelijke hoek, de ene dichtbundel na de andere. Voor een beetje comfort heeft Eekhout wat over. Via een huwelijk in 1931, waarbij bruid en dichteres Elisabeth Reitsma van te voren absolute kuisheid had bedongen, komt hij als onbemiddelde op de zolder van een Gronings patriciërspand terecht. Met de deels geplagieerde Zeeuws-Vlaamse streekromans Pastoor Poncke en Warden, een koning wordt Eekhout even bestsellerauteur. In de oorlog wijkt Eekhout met de huishoudster uit naar Leeuwarden. Inmiddels is hij NSB-bard, feliciteert Mussert met zijn verjaardag, noemt Mein Kampf een ‘prachtig boek’, vlucht rond Dolle Dinsdag  naar Duitsland en publiceert nog in maart 1945 een sonnet in Storm SS. Na de oorlog volgen interneringskampen en publicatieverbod. Al gauw zendt Eekhout eigen beheer-dichtbundeltjes met bedelbrieven rond. Schuldbewust is hij nooit: hij ziet zichzelf, als dromer met ‘verkeerd gericht idealisme’, als slachtoffer. De ‘barmhartige’ Anton van Duinkerken doet een goed woordje voor hem. Als tegenprestatie schermt Eekhout met een overgang naar het roomse geloof. Streekromans zijn passé en Eekhout stort zich op het detectivegenre. Uiteindelijk schrijft hij nog moderne poëzie à la Lucebert. Maar Van Driel adviseert ons niet het allemaal te gaan lezen.
         De levenslange aartsprovinciaal brengt via een vierde en vijfde huwelijk de jaren 1961-1978 door in Amsterdam. Welke letterkundigen groeten hem, welke cafés kan hij beter ontlopen? Of kent niemand hem en doet hij er gewoon niet toe? Dat is niet helemaal duidelijk in dit sober geschreven, rijk gedocumenteerde en geïllustreerde boek. Eigenlijk gaat het hier om een oud conflict dat zich in ‘het geval-Eekhout’ tot in het absurde heeft ontwikkeld: tussen ambitie en afwezigheid van persoonlijke stijl. Aartsvijand Marsman zag het scherp in 1939: ‘Maar de wil om dichter te zijn is bij hem nu eenmaal veel grooter dan het talent’.  Ab Visser stelde: collaboratie kwam door zijn minderwaardigheidscomplex en gevoel van miskenning. Maar niet iedereen in die positie collaboreerde. Van Driel doet er verstandig aan geen definitieve verklaringen te geven en biedt en passant een levendig beeld van een provinciaal echelon van de literatuur: het verzuilde Nederland van Anton van Duinkerken, de christelijke uitgeverij Callenbach en allerlei plaatselijke blaadjes waarbij een figuur als Eekhout zich prima kon verstoppen. Ook Eekhouts Zeeuwse kameraden Leo van Breen, Piet Meertens, Jo van Ham – pion van NSB-cultuurpaus Tobie Goedewaagen - en de even kameleontische Aleid Wensink komen goed uit de verf. De lezer raakt doodop van Eekhout maar zijn unieke ‘geval’ heeft een fascinerend verhaal opgeleverd. Zijn lichaam liet hij na aan de wetenschap.

Lo van Driel, Jan H. Eekhout. Een plooibaar talent. Aardenburg: Drukkerij Durenkamp, 2015. 351 p. € 22,95 (Weststraat 73 5427 BS Aardenburg info@durenkamp.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 63-64.

zaterdag 8 april 2017

Interview met Oegstgeester Courant, 15 maart 2017

‘DE POËZIE VAN EEN ENCLAVE’

Zie voor een interview onder deze titel door Willemien Timmers, verschenen in de Oegstgeester Courant (17 maart 2017, p. 1), de webversie van de krant. Het interview vond plaats naar aanleiding van het verschijnen van het boekje De poëzie van een enclave.



Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave.
Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
 isbn 978 90 824288 6 5.
Verkrijgbaar bij de boekhandel.
www.dewildetomaat.nl